gravitas

Ze boog zich over tafel, fixeerde hem met haar heldere ogen. Wat is het dat je omlaag houdt? What is it that keeps you down?
Ik weet het niet, mompelde hij, ik weet het niet. Maar hij huilde van schaamte.
Nu na vele jaren wist hij het eindelijk. Hij zou willen dat hij nog eens tegenover haar kon zitten en dat ze hem dan opnieuw zou vragen, met die stem die in zijn herinnering kolkte als diep water: wat is het dat je omlaag trekt? Wat is het dat je weerhoudt?

Men moest licht zijn als een schaduw, aantrekkelijk als de aarde en vol vonken die sneller overslaan dan het geheugen kan bewaren.

…and let the past become our fate

Hij was misschien niet te laat. Hij fietste door de stad, door de kou en bleef staan voor een rood stoplicht. Hij stond aan een duistere kade.
Men moest meester zijn over zijn tijd, dacht hij en hij keek om zich heen. Het water glansde op het punt van bevriezen. Aan de overkant kromden de bomen zich en rilden in de wind.
Over het water, dacht hij, over het water en hij nam de brug. Bleef staan, aarzelde.
Wat was dan dit bestaan, dat overal en nergens voor stond. Hij vroeg het zich af: misschien… Maar misschien was het niet het uitgelezen uur, niet het goede moment, had hij zijn dag niet.
De overmeestering van de tijd, waarvoor men sterker moest zijn dan de wereld, sterker dan Atlas, die, zoals men weet, de wereld allang niet meer op zijn schouders draagt, maar haar wiegt in reusachtige armen, en daar gelijk in heeft, want je kan niet eeuwig de wereld op je schouders dragen, bovendien hadden ze vanaf Mercurius al geklaagd dat er zo niets meer te zien viel, van de ruimte welteverstaan die maar doorgaat en doorgaat en waarvan men de plot inmiddels wel kwijt is, die overmeestering dus – die bleef uit, de tijd was vrij en werd door niemand, niemand vertegenwoordigd.
Niet mijn tijd, dacht hij. Er is geen tijd. De volgende keer, dacht hij, moest ik me maar liever wat meer haasten.

Door de nacht

Ze stapelen de stoelen op, het mooie seizoen is gedaan.
Hoe was het om in warme kamers thuis te komen?
Hij vraagt het zich af, terwijl hij over de smalle stoep loopt naar het einde van de stad, die laag en opeengepakt is als een hooiberg.
Hij loopt tot waar de Vinex-wijken en de fabrieken, de wetenschappelijke laboratoria, de herinnering en de dieren een grens vormen – waarmee? – met een bestaan, dat hij niet kent en nooit zal kennen.
Elk bestaan interesseert me, denkt hij, maar ik weet dat ik niet in elk bestaan kan bestaan.
Toch heeft ieder mens recht op elk bestaan.
De een kiest een familie, de ander een baan. Laag aan de hemel, als een kerstverlichting zonder draden, hangt de maan.
Hij groet en de maan, herfstdronken, groet terug.

god is een niksnut

Korzelig diende de dag zich aan. Hij had gedroomd van onbeslapen bedden en een tas vol geheime stukken. Die tas was hij kwijt. Spijt had hij niet. Hij zou het dekbed van zich afgooien en in een beweging opstaan. Natuurlijk, of: waarom niet.

Hij keek op het klokje naast zijn bed. Ik heb een gat in de dag geslapen, dacht hij, geen wonder dat die me zo zuur toelacht.

In de kamer, bij het raam, zat zijn moeder. Naast haar op het tafeltje stond een schotel met de resten van een ontbijt. Ze kauwde langzaam en keek hem verwijtend aan. Zo leek het, maar waar dacht ze aan? Dacht ze dat hij haar niet zou begroeten?

Ze zit daar maar, dacht hij, en ze eet. Boterhammen, koekjes, kaas, soms een heel brok cake, zo afgescheurd uit het pak, en verder zoutjes en chocolaatjes en de resten van gisteren. Nu weer dat ontbijt. Als ze niet zo’n zenuwpees was, groeide ze helemaal dicht.

‘Goeiemorgen, mamma.’ ‘Dag jongen. Lekker geslapen?’

Hij liep naar de keuken om koffie te zetten.

Ze zeggen…

‘Hoe gaat het met je’, waren de enige woorden van haar mail. Hij staarde lang naar het scherm en liet alles wat hij tot zichzelf rekende, de revue passeren. ‘Goed’, wilde hij schrijven, ‘en met jou’, maar hij aarzelde. ‘Het kon beter’ was misschien beter. ‘Het gaat de goede kant op. Aan welke kant sta jij?’ Dat was meteen weer zo confronterend. Zo geforceerd.
‘Ik heb vreselijke hoofdpijn maar het gaat wel okee. We leven nog’, schreef hij. ‘De kruik gaat zo lang te water tot ze’, barst, hij wist niet meer hoe lang al, hoe lang nog. Wat was dat nou ook voor spreekwoord?
‘Ik heb gelezen dat de bladeren hier de kleur van gebroken koper hebben, en het is waar’, schreef hij, ‘het leven gaat met de seizoenen, niet met de jaren. En er zijn verschillende dingen gebeurd die de moeite van het vertellen niet waard zijn. Ik ben ze ten minste al weer vergeten.’
Ze zou denken dat hij leed aan een progressieve vorm van geheugenverlies. ‘Waar ben jij?’ waren de woorden die hij opeens wilde schrijven, die wel moesten volgen op haar vraag. Maar hij kon zo’n beetje raden wat ze zou antwoorden. ‘Hier. Ik ben hier.’
‘Ik ben nog steeds in Nederland’, schreef hij. ‘Een klein land, met veel water en veel mensen. De mensen zijn vriendelijk en het regent niet zo vaak als ik dacht.’
Hij steunde zijn hoofd in zijn handen. Hoe vaak had hij niet gedacht dat het zou regenen?
‘Nederlandse mensen zeggen vaak sorry’, dat had zijn lerares hem geleerd, ‘ook als ze er niets mee bedoelen.’ Sorry, heeft u een momentje? Sorry, u staat op mijn voet. ‘Sorry, mag ik u iets vragen?’ Sorry, hoor, sorry hoor. Hij sprak het een paar keer uit, met de verontwaardigde intonatie die hij van haar had geleerd: Sorry hoor, sorry hoor, sorry hoor. Het klonk eng in de kale ruimte.
Hij zette muziek op, rolde een sigaret. Hij verstond niet alles wat de Nederlandse zanger wilde zeggen. Haast en spijt, rijmend op tijd. Als je wou, de wolken blauw. Alles wat je vragen zou, en ik verlang de hele dag naar jou.

Throw me tomorrow

Diepblauw was de vroege avondlucht, en achter de achterste huizen scheen het bijna groen. Thuis probeerde ik een poster van Pollock op te hangen, een zwart gezicht, vriendelijk als de maan. Toen kwam Sisypha binnen.
“Jezus,” zei ik en liet het schilderij bijna uit mijn handen vallen. “Wat heb ik jou lang niet gezien.”
Ze maakte een vreemde beweging met haar hoofd en viel neer op mijn bank.
“Nee, echt,” zei ik.
“Echt?”
“Zo lang. Veel te lang.” Ik haalde diep adem. “Nu is het moeilijk voor me om met je te praten. Ik ben alweer een ander, begrijp je, en jij…”
“Ach, kwatsch,” zei Sisypha op z’n Zwitsers. Precies wat ik niet wilde horen.
Haar paarse mantel had ze nog aan, en op haar ronde gezicht, omlijst met zwart haar, was geen rimpel te zien, geen spoor van vergetelheid of van verdriet. De vraag, “waar ben je geweest,” stokte in mijn keel.
“In een ver land,” zei ze kalm, “waar mensen wonen met neuzen als houwelen, en waar botte toeristen komen, die zomaar op straat dingen omgooien, zodat je heel ver om moet lopen om te komen waar je wilt zijn. Zo kwam ik overal.”
“Hoe gaat het met je?”
“Kan niet beter. Salim is dood. Pal heb ik terug gevonden in een buitenwijk van Bogotá. Hij zei dat hij Ben heette, maar ik lachte hem uit, vroeg of zijn kapsel nog even nep was als vroeger, die rare Ziggy Stardust… Met Pal heb ik het nog goed gehad. Hij was de enige met wie ik het gevoel kon hebben dat ik alleen was.”
“Hoe gekker je wordt,” zei ik, “hoe minder het me interesseert,” en nam het schilderij weer op.
“Oh ja,” zei Sisypha, “en weet je wie ik ook tegenkwam? Iemand die sprekend op jou leek. Maar dan met een doel in haar leven.”
Ik beet op mijn lip en spijkerde het schilderij vast aan de muur, in nauwelijks drie handgrepen. Daar hing het en het kon niet anders. Met mijn rug naar Sisypha bekeek ik het resultaat. Toen ik omkeek, merkte ik dat het donker was geworden, de avond was gevallen en Sisypha had een sigaret opgestoken en ze rookte, het enige geluid dat we hoorden kwam van haar lippen, een zachte zucht bij het uitblazen, en ik dacht: ook dit kan ik wel aan.

biniparell

het is gelukt:
een klein vliegtuig door de blauwe lucht,
een bougainville, een san miguel,
lachende kinderen, een kromme olijf,
veel amandelen die moeten geplukt –
vrienden vrienden vrienden,

wat houden wij toch van elkaar.
wij nijgen niet maar juichen,
niet naar elkaar maar naar
dit veelzelvig geheugen
opgestapeld, daar
waar het gras rustig verdort,

en één van ons staat op,
maakt misbaar en maait
met zijn armen kritiek op al het vernuft,
en de avond is wuft en de kinderen,
slapend in hun schaarse zomershirts,
weten wel wat hun te wachten staat.

Tof

MAZZEL

Ze hield het meest van de grijpmachines. Hel verlichte boxen gevuld met knuffelbeesten, gouden horloges, rekenmachines. Een beweegbare, metalen klauw die twee keer gecommandeerd kon worden: één keer naar voren en één keer opzij. Daarna zoemde hij automatisch omlaag, greep blind wat er te grijpen viel: een knuffelbeest, een gouden horloge, een rekenmachine; meestal greep hij in de lucht, een treurig gezicht, als een hond die een stuk vlees toegeworpen krijgt, kwispelt, springt, en mishapt.
Of de klauw belandde in het witte zand op de bodem, bleef even graaien, en schoof tergend langzaam, onverrichter zake weer omhoog.
Meteen wilde ze nog een keer.

Ze gingen samen naar de kermis, jaar in jaar uit. Eerst was de draaimolen nog genoeg. Hij kocht een kaartje, hielp haar het podium te beklimmen, keek hoe ze een glimmend gekleurd paard of een vliegtuig bemande. De muziek zette in, het paard kwam in beweging, het vliegtuig begon te schommelen. Ze draaide langzaam, opgewonden, van hem weg.
Als ze weer tevoorschijn kwam, zwaaide hij nadrukkelijk: Hier ben ik! Hier, vind me dan! En als ze hem vond met haar zwarte ogen, zwaaide ze terug.
Bij het tweede rondje was zij meestal degene die hem als eerste zag. Zwaaien, wegdraaien, zwaaien, tot alles ophield, ze weer van het podium klom, in zijn armen belandde. Nog een keer? Nog één keertje dan, vooruit.

Hij deed nooit mee, ook niet toen ze later de hele kermis afstruinde, in de botsautootjes sprong, de poliep trotseerde, alle apparaten uitprobeerde. Het reuzenrad bewaarde ze voor het laatst. Hij gaf haar geld voor een kaartje en wachtte beneden, aan de kant, in zijn ene hand een sigaret en de andere klaar om te zwaaien als ze voorbij flitste.
Het gebeurde dat ze mazzel had. Dan stond hij naast haar bij de grijpmachines, ze leunde voorover, drukte op de knop ‘vooruit’, liet los. Zuchtte ingespannen. Drukte op de knop ‘opzij’, hield haar adem in. De arm belandde precies boven het gouden horloge, de klauw sloot zich om het metalen bandje, het was gelukt.
Daarna won ze nog een horloge. En nog één. Hij bleef rijksdaalders uit zijn zak halen en ze bleef maar horloges winnen, die waarschijnlijk niet eens een gulden per stuk waard waren, en het na twee dagen zouden begeven. Hij was blij voor haar, het was alsof ze samen een schat opgroeven.
Toch kon hij het niet laten – ze was al bijna elf – tegen haar te zeggen: ‘Pas maar op.’
‘Waarvoor?’
‘Het is toch een gokspel.’
Ze keek hem verwijtend aan. Was het dan niet haar eigen verdienste? Hij glimlachte en liet het maar zo.

Bastaard

Het bloed kruipt alleen
waar het gaan kan,
met lange halen kom je
nooit meer thuis.
Je zou ze de kost moeten geven,
die uitgezakte klootpakken.
Zo loopt hij, spreekwoorden brekend,
door de regen, zijn woede is niet
om de wereld, hij vraagt geen geld,
hij beveelt alleen met zijn ogen
de arme, eenzame dorpsbewoners
die hem toch niets geven.

Eens komt zijn medelijden
pas goed tot leven, maar te goed is
buurmans verre vriend.
Reclamejongens, sportfanaten
schrijven op muren en glazen,
hoe lang nog dit vierkante hoofd,
en wanneer zoals steeds beloofd
huisje-bommetje-beestenboel.
Hij ziet het wel. Het staat hier niet
als een woord.

God, mijn god, waarom heeft u mij
– maar het schelden is in één lange
zucht voorbij,
hij kan niet meer praten,
wil niet meer redeneren,
kan het toch niet laten
de schade te repareren
aan rijmdwang en modaliteit.
Geef me moeder, vader, landerig
jankhuis, mijn tijd terug,
red me uit de sonde.

god is a dj

‘Weet je nog hoe het was om elke dag stoned te zijn?’
‘Ja. Onvoorstelbaar. ‘
‘Waarom zijn we daar eigenlijk mee gestopt?’
‘Ik weet het niet. Als ik elke dag stoned zou zijn, zou ik in telepathie gaan geloven. Ik zou dingen gaan geloven die niet waar zijn.’
‘Wat is er mis met telepathie?’
‘Ik geloof er niet in.’
‘Maar… geloof je soms in telepathie?’
‘Nee, dat zeg ik toch!’
‘Nee. Okee. Als ik stoned ben, geloof ik helemaal niet in telepathie.’
‘Pff, het was maar een voorbeeld. Ik geloof ook niet in telepathie. Ik geloof ook niet in… weet ik veel, in reïncarnatie. Of in vibraties. Maar als ik stoned ben, dan geloof ik er misschien wel in. Dus dat kan niet.’
‘Maar ik begrijp het niet. Waarom kan dat niet?’
‘Het is hetzelfde als altijd dronken zijn… Dat kan ook niet.’
‘Hm, nee, inderdaad. Dat zou ook niet kunnen. Maar wil je dat soms?’
‘Neehee!’
‘Nou dan.’
Ik stak mijn tong uit. Mijn vriendin trok een quasi-serieuze frons. Daarna leek ze opeens te zijn vergeten waar we het over hadden, ze maakte een kusbeweging mijn kant op en danste verder.
Ik danste in de richting van mijn vriend, De Koekebakker, en vroeg om een vuurtje. ‘Koekebakker. Heb je er ook wat te roken bij?’