MAZZEL
Ze hield het meest van de grijpmachines. Hel verlichte boxen gevuld met knuffelbeesten, gouden horloges, rekenmachines. Een beweegbare, metalen klauw die twee keer gecommandeerd kon worden: één keer naar voren en één keer opzij. Daarna zoemde hij automatisch omlaag, greep blind wat er te grijpen viel: een knuffelbeest, een gouden horloge, een rekenmachine; meestal greep hij in de lucht, een treurig gezicht, als een hond die een stuk vlees toegeworpen krijgt, kwispelt, springt, en mishapt.
Of de klauw belandde in het witte zand op de bodem, bleef even graaien, en schoof tergend langzaam, onverrichter zake weer omhoog.
Meteen wilde ze nog een keer.
Ze gingen samen naar de kermis, jaar in jaar uit. Eerst was de draaimolen nog genoeg. Hij kocht een kaartje, hielp haar het podium te beklimmen, keek hoe ze een glimmend gekleurd paard of een vliegtuig bemande. De muziek zette in, het paard kwam in beweging, het vliegtuig begon te schommelen. Ze draaide langzaam, opgewonden, van hem weg.
Als ze weer tevoorschijn kwam, zwaaide hij nadrukkelijk: Hier ben ik! Hier, vind me dan! En als ze hem vond met haar zwarte ogen, zwaaide ze terug.
Bij het tweede rondje was zij meestal degene die hem als eerste zag. Zwaaien, wegdraaien, zwaaien, tot alles ophield, ze weer van het podium klom, in zijn armen belandde. Nog een keer? Nog één keertje dan, vooruit.
Hij deed nooit mee, ook niet toen ze later de hele kermis afstruinde, in de botsautootjes sprong, de poliep trotseerde, alle apparaten uitprobeerde. Het reuzenrad bewaarde ze voor het laatst. Hij gaf haar geld voor een kaartje en wachtte beneden, aan de kant, in zijn ene hand een sigaret en de andere klaar om te zwaaien als ze voorbij flitste.
Het gebeurde dat ze mazzel had. Dan stond hij naast haar bij de grijpmachines, ze leunde voorover, drukte op de knop ‘vooruit’, liet los. Zuchtte ingespannen. Drukte op de knop ‘opzij’, hield haar adem in. De arm belandde precies boven het gouden horloge, de klauw sloot zich om het metalen bandje, het was gelukt.
Daarna won ze nog een horloge. En nog één. Hij bleef rijksdaalders uit zijn zak halen en ze bleef maar horloges winnen, die waarschijnlijk niet eens een gulden per stuk waard waren, en het na twee dagen zouden begeven. Hij was blij voor haar, het was alsof ze samen een schat opgroeven.
Toch kon hij het niet laten – ze was al bijna elf – tegen haar te zeggen: ‘Pas maar op.’
‘Waarvoor?’
‘Het is toch een gokspel.’
Ze keek hem verwijtend aan. Was het dan niet haar eigen verdienste? Hij glimlachte en liet het maar zo.