Categorie archief: de fee vangt aan

Things may be

The story of Henry Jones

Dora werd verliefd op Henry Jones op zondag 12 december 1896. Dat was de dag dat ze door Henry, haar echtgenoot, werd ontmaagd.
Het was de nacht na hun huwelijk, hun eerste huwelijksnacht.
Dora had tegen Henry gezegd: “Doe het nou maar.”
Ze had zich zó goed voorbereid! Haar moeder en haar grootmoeder en haar tante en zelfs haar vader, die de kwaaiste nog niet was, maar wel een beetje gek, hadden haar al vroeg duidelijk gemaakt dat het er ooit van zou komen.
‘Het’: Dora wist zoals iedereen wat ze daarmee bedoelden, maar van ‘ooit’ had ze zich nog nooit een voorstelling gemaakt.
Dat was ze even vergeten.
(Vreemd eigenlijk; ze had ‘het’ ergens opgepikt, misschien uit de losse opmerkingen en schichtige blikken (“sssst”) van haar ouders, die, inconsistent maar welwillend, haar een vrije opvoeding hadden gegund.)
Ze was achttien jaar.
Haar vader had toestemming moeten geven voor het huwelijk en die had hij gegeven.
De man in kwestie, Henry Jones, was niet veel ouder dan zij. Weliswaar zonder baan, maar uit een goede familie. Dat was genoeg, vond zij, vond hij.
Echter niet haar moeder, die echter (twee keer echter in dezelfde zin?), die echter niets had in te brengen.
Haar moeder: “Uit die jongen komt niets dan ellende.”
“Dat zullen we dan nog wel eens zien,” antwoordde Dora zonder spot. Ze voelde zich stoutmoedig, onafhankelijk, onbesuisd.
Inderdaad. Ze had twee weken van kapsalon naar modehuis gerend. Op de huwelijksdag had ze net iets te veel champagne gedronken.

Zo lag ze prettig aangeschoten in bed, toen Henry Jones, haar Henry Jones, de bruidskamer inkwam, nog veel aangeschotener dan zij en bovendien niet van plan om ook maar een vinger naar haar uit te steken.
Hij ging op een bankje aan het voeteneind van haar bed zitten en stak een pijpje op.
“Henry…” zei Dora, terwijl ze zich half oprichtte.
“Ja,” zei hij, “het zou gaan stormen, vannacht.”
Een mooie, cryptische opmerking.
“Henry…” herhaalde Dora en in haar hoofd begon het te spoken. Wat als dit alles een vergissing was? O, visioenen van noodlottigheid!
Maar hij was toch een aardige jongeman, iemand met veel talent en mogelijkheden en zelfs had hij iets bijzonders, iets wat haar al was opgevallen toen ze hem voor het eerst had gezien.
Dat was op een soirée geweest bij de familie Kamenier; aardige mensen, wel.
Gedenkwaardige avond! – hij had eerst op een sofa gelegen, zijn lange luie lijf loom uitgestrekt, met een ongezonde blos op de wangen.
Toen het orkest een wals speelde had hij met zijn hand in de lucht geslagen alsof hij de verbitterde dirigent van een Chinees staatsorkest was.
“Henry, doe het nou maar,” zei Dora. En verdomd, Henry was bij haar komen liggen, zijn kleren aan, zijn armen achter het hoofd gevouwen.
En toen ze zich van hem wegdraaide, teleurgesteld, omdat ze niet wist hoe het moest, had hij het gedaan.
En het was, naar verwachting, heel bijzonder.

Zo herinnerde ze zich alles, toen ze de volgende ochtend wakker werd.
Toen ze de volgende ochtend wakker werd, was Henry allang uit bed.
Ze voelde zich lijdzaam, een ander mens, iemand met een ander leven en een ander lichaam, een andere geschiedenis – was ze niet altijd verliefd geweest op Henry Jones, verliefd op Henry Jones vanaf het eerste moment dat ze hem had gezien; had ze niet alles, alles gedaan om met hem te trouwen?
Ze was met hem getrouwd en toch was het gek.

Drie weken later was hij weg -natuurlijk. Hij had haar een briefje doen toekomen : “Ik ben weg.” Ze had het allang begrepen.
Een groot gevoel van schaamte overmande haar.
Dora reisde haar man, tegen de nadrukkelijke wil van haar ouders, achterna maar strandde in Brussel.
Daar nam ze een betrekking aan als gezelschapsjuffrouw en vele jaren gingen voorbij.
In Brussel bruiste het.
Ja, lieve lezers, gezelschapsjuffrouw – en in Brussel bruiste het.

Toen Dora terugkwam in haar geboortestad, ouder en wijzer, leek Henry pas goed van de aardbodem verdwenen.
Niemand dacht meer aan hem.
Niemand wist waar hij was, niemand had in al die jaren van hem gehoord.
Zij dacht ook nauwelijks meer aan hem, ze had wel wat anders aan haar hoofd.
Met de hulp van haar ouders liet ze haar huwelijk ontbinden. Kort daarna trouwde ze met een man die ze drie kinderen schonk. Eén voor Sinterklaas. Ze leefde rustig en teruggetrokken, in een huisje aan een leuk watertje, toen ze een brief kreeg uit Batavia.
De brief luidde als volgt:
“Lieve Dora,
Ik zou je graag weer eens zien. Ik heb veel meegemaakt, maar ik kom binnenkort naar ons vaderland terug. Kan ik rekenen op je welwillendheid? Henry.”
De brief werd door Dora diep opgeborgen in het onderste laatje van haar kabinet.
Het gevoel van schaamte, dat lang in haar buik had getierd maar daar geen zichtbare schade aangericht, was weg. Het enige wat overbleef…. was een vraag.
Waar ligt Batavia?

lucky strike

Hij stak een sigaret op en dronk een kopje thee.
Toen de sigaret op was, had hij weinig meer te doen.
De avond kwam, hij liet de avond komen.
Hij begreep dat hij volkomen gelukkig was.
Hij overwoog of hij dit moment zou bewaren, door het op één of andere manier aan de wereld terug te geven. Dat leek hem een onmogelijke opgave, arrogant bovendien.
Maar wat was er mis met arrogantie? Voor onmogelijke opgaven was arrogantie een must (hij zag zichzelf al op een dak staan, zijn handen aan zijn mond. Hij hoorde zichzelf schreeuwen, maar er was veel wind en hij kon zijn woorden niet verstaan.
Daarna klom hij weer van het dak af, stak nog een sigaret op en wist, dat als hij niet wilde stoppen met roken, hij snel naar de winkel moest voor een nieuw pakje.
Hij zag zichzelf nu naar de winkel lopen, die natuurlijk dicht was, de avond was gevallen. Stom, stom, dat had hij kunnen weten)
Hij glimlachte. Zijn volkomen geluk hing aan een dun draadje, een draadje niet van zijde maar van touw, zo dun dat het geen naam mocht hebben, een bijna onzichtbaar draadje. Dat het toch bleef hangen, dat geluk, maakte hem bijna gek, nog gelukkiger dan hij al was, zodat zijn volkomen geluk bijna te zwaar werd voor één mens om te dragen.

dochter van de natuur

Het centrum van de stad was een forum zoals we het in onze fantasie hadden opgebouwd, voordat het tot een ruïne zou vervallen: wit, met witte zuilen, trappen en muren die een open plaats omsloten en een fel, bevroren zonlicht op de stenen, zodat niemand zich met meer hoefde te kleden dan met het noodzakelijke.

Een laken.

Witte bakkebaarden boven witte, sierlijk gevouwen lakens en witte, lege tafels om aan te schrijven.

Het enige wat er nog aan ontbrak waren de zonnebrillen.

Ook de woorden, die de menigte wisselt, zijn van een essentie en een weloverwogenheid, kortgebonden, helemaal overeenkomstig het moment.

Men heeft de tijd, men heeft, in feite, alle tijd.

Het was alsof elke man, die daar rondliep (niemand miste de vrouwen), alsof elke man zich bewust was van het moment, dat zo, zonder te verbazen, heel goed was.

“Goedemorgen,” zei de één, en ik, de ander, groette terug.

Met zijn handen op zijn rug keek hij naar de blauwe lucht.

“Dat is de lucht,” zei hij – en hij had gelijk.

In deze gelukkige tijd was de stad met het glinsterende forum, met de interessante lucht en de interessante, niet erg spraakzame mannen, het centrum van de wereld.

Daaromheen lagen de kazernes en de kamers waar mannen en vrouwen, liefst op dezelfde tijd en aan dezelfde tafels, avond na avond hun avondeten aten.

Lag ook de begraafplaats en de plaats waar mensen hun kinderen op zondag naartoe brachten om er eens uit te zijn, met broodjes en water in hun tas.

Maar op het forum scheen de zon en was er nog geen kruimeltje te pikken tussen de nog niet door het gras aan het oog onttrokken, dat wil zeggen nog niet door gras overwoekerde tegels op het plein.

‘de kern is uiteraard kaal, onversierd en ongedramatiseerd’

Het witte vernis is op sommige plekken van de vloer gesleten, schaafwonden waarvan de één op Afrika lijkt en de ander op België.

Waarom hier het ene afgeschaafde stuk vernis op Afrika lijkt en het andere op België, weet ik niet.

Het is me een raadsel dat me niet lang bezig zal houden. Het leven is maar een oogwenk en voor je het weet is het voorbij. Vanitas vanitas omne… reclame.

Je kunt ook morgen onder een tram lopen, hoewel het meer voor de hand ligt dat de tram over jou loopt. Koop daarom nu een pot dekkende vloerverf!

Weg met Afrika, weg met België.

De muur splijt – dat is de zwaartekracht, volgens de wind die in en uit waait. Daar praten we niet meer mee. Laat hem maar. We worden gek van zijn vaagheid, zijn hak op de tak, zijn onsamenhangendheid, ja noem het maar onsamenhangendheid, al zal er bij de wind ook wel een dieper verband zijn tussen dit en dat, oost en west, hoog en laag.

De boeken communiceren alle kanten op.

Er heerst rust in huis. Rust tussen de grammofoon en de kamerplant die elke dag een andere kant op groeit. De kamerplant als scheepstouwen, zijn bladeren als mikadostokjes, het moment voor ze vallen.

Ja, de grammofoon en de plant onderhouden een bijzondere relatie.

somewhere over the rainbow

Maar dan is alles makkelijk op te lossen?

vroeg hij zich af.

Hij wilde het wel geloven. Maar

maar, maar, maar, alsof hij van iemand tegenspraak verwachtte.

Even maar. Bij het woordje ‘maar’.

Op woorden kun je niet vertrouwen.

- Na, na, na, dacht hij. Ik weet het nog niet!

Gekliefd door dit besef – besefte hij – was er niets anders te doen dan verder te gaan, op de eenmaal ingeslagen weg (die ook een heel andere zou kunnen zijn).

Hij was nog zwaar van het gewicht een personage te zijn.

Binnenkort zou dit geluk van hem afglijden, als struif van een kuiken.

Maar hij zou schitteren: hij, de beste van allemaal.

binding

Twee roverinnen, roofsters dus, zaten in het bos onder een boom, waarvan ik de naam niet weet, maar laten we zeggen: een eik. Aan één van de takken van de eik hing een konijn.

“Het zijn donkere tijden,” zei de ene roofster tegen de andere.

De andere, met een mes het vuil vanonder haar nagels vandaan halend, antwoordde: “Ja.”

“Ik zou het konijn graag stoven met een worteltje en een fijn gesneden paprika, in donker bier.”

“Het zijn donkere tijden,” herhaalde de ander.
Ze keken op naar het konijn dat stil aan de tak van de boom hing. Het buitenaardse licht van de maan scheen wit op zijn vacht.

op weg

Rozen verwelken, schepen vergaan. De dappere onderzoeker zou dat nog wel eens zien.

Op reis, op zoek naar het schip dat niet vergaat en de roos die niet verwelkt.

Het schip dat niet vergaat is een spookschip, de roos die niet verwelkt groeit in de hemel, als die bestaat.

Zo is ook de liefde die altijd blijft bestaan een spookliefde.

En ondanks de niet aflatende propaganda waarmee spoken ons willen doen geloven in het tegendeel, weten we heel goed dat ze niet bestaan.