Categorie archief: Eulaterale

die handen, dat gezicht

AAN MIJN MOEDER

Als nu het spreekkoor van de steenpatrijzen
je liefkoost in de eeuwige slaap, kapotte
gelukkige schaar vluchtend naar de herfstige
hellingen van de Mesco, als nu oplaait
de strijd onder de levenden, en jij
een schaduw gelijk je huid afstroopt
(en ’t is geen
schaduw, o lieve, ’t is niet wat het lijkt)

wie zal je beschermen? De lege weg
is geen pad, maar twee handen, een gezicht,
die handen, dat gezicht, gebaar van één
leven, dat geen ander is maar zichzelf,
niets méér geeft je die plaats in het Elysium
tussen de duizenden zielen en stemmen;

en de achtergebleven vraag is even wel
jouw gebaar, in de schaduw van de kruizen.

A MIA MADRE

Ora che il coro delle coturnici
ti blandisce nel sonno eterno, rotta
felice schiera in fuga verso i clivi
vendemmiati del Mesco, or che la lotta
dei viventi più infuria, se tu cedi
come un’ombra la spoglia
(e non è un’ombra,
o gentile, non è ciò che tu credi)

chi ti proteggerà? La strada sgombra
non è una via, solo due mani, un volto,
quelle mani, quel volto, il gesto d’una
vita che non è un’altra ma se stessa,
solo questo ti pone nell’eliso
folto d’anime e voci in cui tu vivi;

e la domanda che tu lasci è anch’essa
un gesto tuo, all’ombra delle croci.

EUGENIO MONTALE

de poel van menselijk kikkerdril

JOUW VLUCHT

Als je aan het vuur verschijnt
(amuletten aan je kuif
omstralen je)
gaan twee lichten aan in strijd
om jou bij de verzonken gracht
onder het gewelf van wegendoorn.

Je gewaad is aan flarden, de heesters,
platgetreden, hervonken,
en de poel van menselijk kikkerdril
scheurt open in het kielzog van de nacht.

O ontdoe de ontwijde
oevers niet, laat het schroeien
van de stapels eromheen, de slagrook
over de overlevenden!

Wanneer je dan het vuur verdrijft
(asblond waaien je haren
over de weg die liefdevol
de hemel heeft verlaten)
hoe vindt nog je hand van de edelstenen
en de zijde tussen de doden toch
haar trouwe vriend?

IL TUO VOLO

Se appari al fuoco (pendono
sul tuo ciuffo e ti stellano
gli amuleti)
due luci ti contendono
al borro ch’entra sotto
la volta degli spini.

La veste è in brani, i frùtici
calpesti rifavillano
e la gonfia peschiera dei girini
umani s’apre ai solchi della notte.

Oh non turbar l’immondo
vivagno, lascia intorno
le cataste brucianti, il fumo forte
sui superstiti!

Se rompi il fuoco (biondo
cinerei i capelli
sulla ruga che tenera
ha abbandonato il cielo)
come potrà la mano delle sete
e delle gemme ritrovar fra i morti
il suo fedele?

EUGENIO MONTALE

veertje

DAG EN NACHT

Ook een opvliegend veertje kan de lijn van jouw
gedaante vatten, een straaltje zon dat tussen de meubels
verstoppertje speelt, of de weerkaatsing
van een kinderspiegel, vanaf het dak. Op de muren,
op de rondgang verlengen flarden rook de spitse kruinen
van populieren en beneden op zijn krukje krauwt de papegaai
van de slijper zijn veren. Dan de broeierige nacht
op het plaatsje, en de passen, en die altijd zware
vermoeidheid te verzinken om gelijkvormig te herrijzen,
al eeuwen-, of momentenlang, uit nachtmerries die het licht
van jouw ogen niet meer kunnen vinden in de gloeiende
holten – en weer hetzelfde gillen en het lange klagende
gebeen op de veranda
als opeens de klap weerklinkt die je de keel
roodslaat en je de vleugels breekt, o gevaarlijke
verkondigster van de morgen,
en óp komen de kloosters en ziekenhuizen
bij het scheuren van trompetten….

GIORNO E NOTTE

Anche una piuma che vola può disegnare
la tua figura, o il raggio che gioca a rimpiattino
tra i mobili, il rimando dello specchio
di un bambino, dai tetti. Sul giro delle mura
strascichi di vapore prolungano le guglie
dei pioppi e giù sul trespolo s’arruffa il pappagallo
dell’arrotino. Poi la notte afosa
sulla piazzola, e i passi, e sempre questa dura
fatica di affondare per risorgere eguali
da secoli, o da istanti, d’incubi che non possono
ritrovare la luce dei tuoi occhi nell’antro
incandescente – e ancora le stesse grida e i lunghi
pianti sulla veranda
se rimbomba improvviso il colpo che t’arrossa
la gola e schianta l’ali, o perigliosa
annunziatrice dell’alba,
e si destano i chiostri e gli ospedali
a un lacerìo di trombe…

EUGENIO MONTALE

de afdruk van de menselijke voet

DE ARK
De lentestorm heeft het scherm van de wilgenkruin
in verwarring gebracht,
in de wervelwind van april
is op de tuin het gulden vlies blijven haken
dat mijn doden verbergt,
mijn vertrouwde honden, mijn oude diena-
ressen – hoevelen zijn er
(sinds de wilg nog blond was en ik er met mijn
katapult de ringen uit afstak) levend
in de valstrik weggezakt. De storm zal ze
zeker onder dat dak van vroeger her-
enigen, maar ver, veel verder weg dan
deze verbliksemde aarde waar kalk
en bloed in de afdruk van de menselijke
voet borrelend koken. De koperen pan
rookt in de keuken, zijn ronde reflectie
verenigt de benen gezichten, de spitse
snuiten, daarachter beschermt hen de magnolia
als een zuchtje haar toewerpen kan. De storm
van de lente schudt met luid geblaf van
getrouwheid mijn ark, o verlorenen.

L’ARCA
La tempesta di primavera ha sconvolto
l’ombrello del salice,
al turbine d’aprile
s’è impigliato nell’orto il vello d’oro
che nasconde i miei morti,
i miei cani fidati, le mie vecchie
serve – quanti da allora
(quando il salce era biondo e io ne stroncavo
le anella con la fionda) son calati,
vivi, nel trabocchetto. La tempesta
certo li riunirà sotto quel tetto
di prima, ma lontano, più lontano
di questa terra folgorata dove
bollono calce e sangue nell’impronta
del piede umano. Fuma il ramaiolo
in cucina, un suo tondo di riflessi
accentra i volti ossuti, i musi aguzzi
e li protegge in fondo la magnolia
se un soffio ve la getta. La tempesta
primaverile scuote d’un latrato
di fedeltà la mia arca, o perduti.

(Eugenio Montale)

il bosco umano

PERSONAE SEPARATAE
Als het schilfertje goud dat zich losmaakt
van het donkere gewelf en vloeibaar door
de lange laan van de broodbomen lekt,
mager tot op het bot, zo nu ook wij
gescheiden personen omwille van de
blik van een ander? ’t Is weinig het woord,
weinig de ruimte in deze rauwe en mistige
nieuwe manen: dat wat ontbreekt, wat ons
het hart wringt en me hier ophoudt tussen
de bomen, wachtend op jou, is een verloren
zin, of het vuur, zo je wilt, dat op aarde
indruk maakt, parallelle vormen, schaduwen
vereend, staven van zon wijzend naar nieuwe
stronken op open plekken en holle gaten
vult, waar mieren nestelen. Te verscheurd
is het menselijke bos en te doof
die eeuwige stem en te schrikachtig
de glimp die op de besneeuwde heuvels
van Lunigiana vervlokt. Jouw gedaante
ging hier voorbij, rustte aan de rivier
tussen de neergegooide fuiken, loste
als een zucht op in het rond – daar was geen
gulpende afschuw, het licht vond in jou nog
licht, nu niet meer, het eerste begin van de
dag is al schaduw.

PERSONAE SEPARATAE
Come la scaglia d’oro che si spicca
dal fondo oscuro e liquefatta cola
nel corridoio dei carrubi ormai
ischeletriti, così pure noi
persone separate per lo sguardo
d’un altro? E’ poca cosa la parola,
poca cosa lo spazio in questi crudi
noviluni annebbiati: ciò che manca,
e che ci torce il cuore e qui m’attarda
tra gli alberi, ad attenderti, è un perduto
senso, o il fuoco, se vuoi, che a terra stampi,
figure parallele, ombre concordi,
aste di un sol quadrante i nuovi tronchi
delle radure e colmi anche le cave
ceppaie, nido alle formiche. Troppo
straziato è il bosco umano, troppo sorda
quella voce perenne, troppo ansioso
lo squarcio che si sbiocca sui nevati
gioghi di Lunigiana. La tua forma
passò di qui, si riposò sul riano
tra le nasse atterrate, poi si sciolse
come un sospiro, intorno – e ivi non era
l’orror che fiotta, in te la luce ancora
trovava luce, oggi non più che al giorno
primo già annotta.

de rook die Eurus sloeg

DE WAAIER
Ut pictura… De lippen die verwarren,
de blikken, tekens, de dagen inmiddels
gevallen probeer ik daar te verstarren
als in een omgekeerde kijker, stil
en roerloos maar levender. Het was kermis
van mensen en mechaniek op de vlucht in
de rook die Eurus sloeg en ’t purpervernis
van de dag breekt al door die duistere luchten.
Het parelmoer licht op, de duizelingwekkende
geul in de grond verzwelgt nog meer slachtoffers,
maar je veren op de wangen verbleken al,
de dag is misschien gered. O schotroffels,
als je je ontvouwt, o rauw licht, o geklater
op de hordes (wie kan, die jou kent, ‘t leven nog laten?).

IL VENTAGLIO
Ut pictura… Le labbra che confondono,
gli sguardi, i segni, i giorni ormai caduti
provo a figgerli là come in un tondo
di cannocchiale arrovesciato, muti
e immoti, ma più vivi. Era una giostra
d’uomini e ordegni in fuga tra quel fumo
ch’Euro batteva, e già l’alba l’inostra
con un sussulto e rompe quelle brume.
Luce la madreperla, la calanca
vertiginosa inghiotte ancora vittime,
ma le tue piume sulle guance sbiancano
e il giorno è forse salvo. O colpi fitti,
quando ti schiudi, o crudi lampi, o scrosci
sull’orde! (Muore chi ti riconosce?).

Eugenio Montale

zanddragers, hulsttakken, gedrom

DE ORANJELELIE
De oranjelelie, als die ooit
wortel schoot in jouw twintigjarige hart
(de visdam straalde tussen de zanddragers-
zeven, glanzende mollen maakten gaten
buitelend in de rietkragen, de torens,
de banieren overwonnen de regen,
en de blije overgang naar de nieuwe zon,
bij jouw on-weten, werd voltooid);

de oranjelelie, al geofferd
op de verre kammen
aan de hulsttakken die je de sjaal bestoken
met onwrikbare vrieskou en ook de handen, –
oeverbloem die je zal zien opengaan
op de sombere dijk waar het gedrom
van de tijd niet meer kan bekaaien, om de
hemelharp te schudden, de dood te paaien.

IL GIGLIO ROSSO
Il giglio rosso, se un dì
mise radici nel tuo cuor di vent’anni
(brillava la pescaia tra gli stacci
dei renaioli, a tuffo s’inforravano
lucide talpe nelle canne, torri,
gonfaloni vincevano la pioggia,
e il trapianto felice al nuovo sole,
te inconscia si compì);

il giglio rosso già sacrificato
sulle lontane crode
ai vischi che la sciarpa ti tempestano
d’un gelo incorruttibile e le mani, -
fiore di fosso che ti s’aprirà
sugli argini solenni ove il brusìo
del tempo più non affatica…: a scuotere
l’arpa celeste, a far la morte amica.

Eugenio Montale

het harde rijk

DE OORBELLEN
Geen schaduw van vluchten koestert het roet
van de spiegel. (En van de jouwe geen sjoege).
Erlangs ging de spons die van de gouden
cirkel de weerloze spranken verjoeg.
Je stenen, koralen, het harde rijk
dat jou verrukt zocht ik daar, ik ontwijk
de godin die geen wezen wordt, breng mijn
verlangens tot ze in jouw hel licht verkwijnen.
Ronkende vleugels buiten, ronkend malle
doodsheid weten twee levens zonder waarde.
In de omlijsting keren de weke kwallen
van de avond. Je afdruk komt van daar, waar het
koraal door ontdane, ellendige handen
vast en stil aan jouw lellen wordt gehangen.

Vertaling van:

GLI ORECCHINI
Non serba ombra di voli il nerofumo
della spera. (E del tuo non è più traccia).
‘E passata la spugna che i barlumi
indifesi dal cerchio d’oro scaccia.
Le tue pietre, i coralli, il forte imperio
che ti rapisce vi cercavo; fuggo
l’iddia che non s’incarna, i desideri
porto fin che al tuo lampo non si struggono.
Ronzano èlitre fuori, ronza il folle
mortorio e sa che due vite non contano.
Nella cornice tornano le molli
meduse della sera. La tua impronta
verrà di giù: dove ai tuoi lobi squallide
mani, travolte, fermano i coralli.

Eugenio Montale

4 montaliaanse proeven

Uit: Eugenio Montale, La Bufera e altro

LANGS DE ZEE (Lungomare)

De wind blaast aan, het donker is aan flarden
en de schaduw die jij op de wankele
palissades werpt krult op. Te laat

als je jezelf wilt zijn! Van de palm
ploft de muis, de vonk zit aan het lont,
aan de eindeloze wimpers van jouw blikken.

OP EEN NIET-GESCHREVEN BRIEF (Su una lettera non scritta)

Voor een gewremel van dageraden, voor een paar
draden waaraan de fijne
levensvlok blijft haken en zich tot uren
rijgt en jaren, springen nu de dolfijnen
op in koppels met hun kleinen? O dat ik maar
niks van jou hoor, dat ik maar mag ontkomen aan
de weerschijn van je ogen. Er is meer op aarde.

Verdwijnen kan ik niet, noch me opnieuw vertonen; nee
de nacht smeedt het scharlaken
ijzer laat, lang duurt de avond,
bidden wordt een kwelling en nog heb je
tussen de opstaande rotsen de fles niet gedolven
uit zee. Op de punt breken
leeg de golven, in Finisterre.

IN DE SLAAP (Nel sonno)

Het gezang van de feeksen, als een regenboog
uitdooft in onregelmatige stuipen,
het zuchten en het weegeklaag
van jeugd, de fout die de slapen insluit en
de vage afschuw van de ceders door het stoten
van de nacht in beweging – dit al kan
bij me terugkomen, stromen uit de sloten,
uit de leidingen lopen, dat ik ervan
ontwaak bij jouw stem. Stekend is het wrede
geluid van een gigue, de vijandige helm
sluit zich over het gezicht. Dan betreedt
de amarante maan de dichte ogen, zwelt
tot ‘n wolk; en als de slaap haar dieper loodst,
is ze nog altijd bloed voorbij de dood.

INDIASE SERENADE (Serenata Indiana)

Toch van ons is de verwoesting van de avond.
En voor ons klimt er een striem op van zee
naar het park en verwondt daar de aloe.

Neem me maar bij de hand, als je speelt
dat je gelooft dat jij met mij, als ik zo gek ben
dat ik mee zou gaan, en wat je verbeeldt,

wat je vasthoudt, lijkt alsof ’t jou achterna komt.

****

Was het maar jouw leven dat me op de drempel
laat dralen – zo zou ik je een gezicht kunnen geven
een lichaam wanen. Maar zo kan ‘t niet zijn,

zo is het niet. De octopus die zijn inktige
tentakels tussen de klippen inboezemt,
kan je ter wille zijn. Je hoort bij hem

en je weet het niet. Je bent hem, je denkt jezelf te zijn.

Vertalen van Montale III

III – de fossa fuia
Wat is de fossa fuia? ‘Fossa’ is kuil, en in die zin ‘graf’. In het woordenboek staat een dodenkruisje bij ‘fuia’ en een verwijzing naar Dante, inf. XII, 90 en de betekenis: ‘ladro’. Ik begrijp: adjectief. Ik zoek het op. Het is het canto van de bloedrivier (die bij Dante ook fossa wordt genoemd) met de heen en weer rennende, bloednijdige centaurs, het canto voor de gewelddadigen, de rovers en de tirannen.
Ik lees precies tot waar Vergilius zegt: ‘non è ladron, né io anima fuia’; ‘hij (Dante zelf, de enige levende) is geen dief, en ik ben geen dievenziel’. ‘Fuia’, zo legt het apparaat uit, komt van vulgair latijn ‘furius’ en dat weer van klassiek latijn ‘fur’. In die zin: furtief.
Misschien dat de ‘fossa fuia’ verwijst naar Dante, met langs de oevers het frenetische dansen, het roffelen van hoeven op het ritme van de tamboerijn. En daarboven ‘qualche gesto che annaspa’ – een gebaar dat, zo’n gebaar dat blijft steken, dat stokt als adem in je keel.
‘Zoals toen, wanneer / jij je omdraaide en met je hand, vrij / het voorhoofd van de wolk van je haren / naar me wuifde – om het duister in te gaan.’