Categorie archief: stepping stones

Lamerica

Op weg naar de apotheek kom ik Sisypha weer es tegen.

“Waar ga jij heen?” vraagt ze.

“Naar de apotheek,” antwoord ik.

”Weet je dan niet dat apotheken dicht zijn op zaterdag?”

Nee, dat wist ik.

“Kom,” zegt Sisypha, ze slaat een zusterlijke arm om me heen, “ik heb wat jij nodig hebt.”

We lopen gearmd de straat uit. “Hoe bedoel je?” vraag ik als we bij de hoek zijn, “wat heb jij, dat ik nodig heb?”

“Ha. Dat weet je best! Ik weet, wat jij nodig hebt….”

“Je bent gek,” mompel ik, en laat haar arm los en blijf staan.

“Ja, we zijn allemaal gek,” lacht Sisypha. “Maar is het de maatschappij die ons gek maakt, of zijn wij het zelf?”

Ze kijkt me peinzend aan. “Zijn we altijd al gek geweest? Ruben is gek, Salim is gek. Mijn ouders, die gelukkig leven, zijn gek. We kunnen de gektes namen geven: depressie, schizofrenie, waanzin, lamlendigheid, ongeluk, verslaving, slecht gedrag, domheid, stoornis, verveling, godsdienst, gebrek aan liefde, wanhoop, geestigheid, gebrek aan geestigheid. Maar is het de maatschappij die ons deze namen geeft, of staan ze op ons voorhoofd geschreven?”

Ze toont me haar gladde voorhoofd, waar de donkere krulletjes elegant overheen vallen.

“Goed, je bent niet gek. Je stelt je aan.”

“Aanstellerij, nog zoiets. Als ik in Senegal geboren was, zou ik dan voor drieduizend dollar plaatsnemen in een gammel bootje, in de wetenschap dat ik meer kans heb om te verdrinken dan aan de overkant te komen van de zee die ons, kansarmen, van de kansrijken scheidt?

Hoe gek ben ik eigenlijk?

Als ik in Texas geboren was en ik ging elke dag naar de kerk en ik erfde een ranch met vierhonderd koeien, ik at elke dag biefstuk, gewoon omdat het lekker is en goed voor mijn bloed, en ik woog driehonderd pond en aan al mijn vingers droeg ik gouden ringen, hoe gek was ik dan?

En als ik al mijn aardse bezittingen zou wegschenken om in een oranje jurk door India te reizen, rudra’s tellend en mantra’s zingend en met niets anders te eten dan rijst en bonen, hoe gek was ik dan?”

“Dat zijn leuke vragen, Sisypha, maar…”

“Oh ja, jij moest naar de apotheek. Wat heb je nodig? Aspirine? Slaapmiddelen? Iets tegen de koorts?”

“Acidum.”

“Acidum!” jubelt Sisypha. “Een middel dat behoedt voor, vóórbehoedt, voor ziekte, pijn, bloedarmoede, algehele malaise, onrust, lamlendigheid…”

“Je bent goed op de hoogte.”

“Heel goed. Er is een weekendapotheek in de Leidsestraat. Ga daar maar heen.”

“En jij, Sisypha?”

“Ik? Ik ga zwemmen. Met honderd onbekenden in een bak vol chloorwater, zwaaiend met mijn armen. Dat is ook verstandig.”

“Dag Sisypha.”

“Dag.”

Teveel zelfmedelijden, dat is ook gek, denk ik, als ik de hoek omsla. Gaat het wel goed met haar? Waarom heb ik haar dat niet gevraagd?

La storia siamo noi

Het is volle maan. Ik ben achttien jaar en ik loop door de stad, op weg naar mijn kamer.
Mijn voeten doen pijn. Ik schop de schoenen van mijn voeten om ze verderop weer op te rapen.
Ik ben achttien jaar en ik loop op blote voeten door de stad.
Ik heb een kamer in een huis ergens achter het viaduct waar de trams voorbijgaan. Het asfalt is warm onder mijn voeten.
Voor mijn ogen rijst het gebouw op dat geen versiersel is, geen monument, geen ruimte, geen museum, geen theater.
Het is veel dat het niet is.
Maar het is een ding, dat de tijd (hoe laat is het? half drie?) heeft bewaard door er alles aan af te nemen wat nut had, alles wat bekleed was met nut, alleen de vorm is er nog van over.
Het is een groot rond ding met vier verdiepingen zonder muren. Het heeft honderd bogen, honderd ogen open naar de stad. En gaten en ingangen die zijn afgesloten.
Ik ben achttien jaar, ik wil een onopgevoed, gevaarlijk leven.
Ik zing dat ik een gevaarlijk, onopgevoed leven wil. Ik kijk voor me uit. Een auto stopt, een hand draait het raampje open.
Ik wacht. De hand wenkt.
Ik ga naar de auto. Ik buig voorover, zeg niets, want mijn voeten doen pijn. Ik weet niet wat ik moet zeggen.
De auto draait zijn raampje dicht en rijdt verder.
Ik ben achttien jaar en ik loop langs de rand van de tijd, als een dorstige hond langs de rand van een vijver.

Francesco

Ja, ik hou van mensen, of liever, ik hou ervan naar mensen te kijken. Of ik écht van mensen hou? Waar het hart vol van is, loopt de mond van over.
Maar mijn ogen blijven droog.
Behalve als ik naar mensen kijk die me aan het huilen maken.
Da’s geen liefde, da’s medelijden. Een verwerpelijke emotie.
Een man werd overspoeld door medelijden, zoveel dat hij erin verdronk. Ik had hem kunnen redden. Ik met mijn weloverwogenheid, mijn afstandelijkheid.
Ja, ik hou ervan mensen in het gezicht te kijken. Dat lukt maar zelden. Ik kan mensen op straat aanhouden en vragen, pardon, mag ik even in uw gezicht kijken? Tien tegen één dat ze dan wergrennen en misschien dat die ene, die niet wegrent, alleen maar blijft staan uit vermoeidheid, zodat ik in een gapend gat kijk waar een gezicht had kunnen zijn.
Nee, ik hou erg van mensen, of liever, ik hou van de gezichten van mensen.
Zolang het geen gapende gaten zijn, maar dat zijn het niet, toch? ik hou van mensen, zelfs als ze gapende gaten zijn.

I offered her my head and then she said

Het moet iets minder warm worden. De kamer is te warm, zijn kleren zitten geplakt aan zijn lijf, als het vel van een vette vis aan de vingers van een visvrouw. Ook de kleuren van de kamer zijn te warm. Rood en bruin, ik wil ijsblauw en grijs.
Je kunt lang zoeken als je weet wat je zoekt. Dat is een vertrouwd geheim. Hij houdt van geheimen.
Hij drinkt rode wijn.
Buiten slaat de regen tegen de ramen, binnen vliegt de tijd. Uren, minuten, dagen, weken, ja zelfs jaren, mensen, jaren en jaren volgen elkaar op met de snelheid van een ogenblik. Ik heb honger. Ik heb geen tijd.

easy rider
Ondertussen zwelt applaus aan – storm op zee.
Hij staat op en strekt zijn armen langs zijn lichaam.
Zijn schouder trekt – daar trekt hij zich niets van aan.
Hij kan rechtop staan, zich niet laten meezeulen. Gevoelens van ontoereikendheid raken hem niet.
Ontoereikendheid. Daar wringt hem de schoen. Niet de zijne.
Hij kan de storm van kleine, aanhoudend geniepig jankende gevoelens weerstaan, die kleine storm van ontoereikende gevoelens, het zo maar geboren zijn, het zo en zo in elkaar steken, zo en zo gebouwd en verpakt en afgeleverd zijn.
Een ziel op zee die heen en weer vaart, heen en weer, van hier naar daar en van daar naar hier, heen en weer, tralala….
Het is niet zo weinig als het lijkt, al zuigt het in zijn borst om diepgang, dieper en dieper. Zuidwaarts, altijd zuidwaarts.
Hij is niet op zee. Hij staat in de ruimte. Hij overziet wat hem omlaagtrekt, hij is de zwaarte van de wereld.
Hij ademt en hij zweet.
De kamer is warm. Rood en bruin. Ik wil blauw en grijs.

totalloss

Ze wil entertainment, je moet haar bezighouden, continu bezighouden: als ze niet lacht, ben jij niet gelukkig.
Maar je moet ook serieus zijn, bloedserieus, elk woord, elk gebaar moet worden gewogen op de schaal van je hart.
En je hart moet even gevoelig zijn als de nauwkeurigste precisiethermometer op Mars, dat wil zeggen eentje die het op Mars nog zou doen: nauwkeurig en agressief, gevoelvol maar mateloos, mateloos bovenal.
Praat ook eens over kunst. Weet precies waar zij het over heeft, als ze begint over dramatische, hilarische hahaha televisieprogramma’s, mensen en dingen die ze heeft gezien of gelezen en die zes jaar geleden… hihihi, hahaha, zo leuk, zo leuk -schrik niet als ze plotseling vraagt: en jij?
Zeg vooral niet: en ik, hè, wat?
Wees beleefd en beschaafd, begripvol en maak haar VOORAL NIET KWAAD
Als ze dan toch kwaad is, zeg dan niet sorry (ik was bij Corrie).
Zeg ook niet: verdomme, ik maak toch zelf wel uit wat ik doe.
Toon geen onafhankelijkheid, laat je van tijd tot tijd lekker opfokken. Gooi alles in de strijd. Wees haar volkomen gelijke, behalve op momenten dat ze je echt nodig heeft.
Laat je genegenheid elk moment blijken uit elk gebaar, elke onderhuidse zenuwtrek, elk glimlachje van: wij begrijpen mekaar maar ik heb jou het eerst begrepen.
Kom met een somber maar aangrijpend verhaal over vroeger tijden, toen je haar nog niet kende. Toen alles, zo achteraf bekeken, onvolkomen, heel on-echt, on-heel, on-af was.
Accepteer haar gepassioneerde uitdrukkingen van liefde aan iedereen en aan jou.
Neem haar spiritualiteit met nog geen half korreltje zout.
Word nooit, maar dan ook nooit boos: zij is je minnares, vriendin, zus, muze en geliefde, moeder en kind, hoer en godin, je oermoeder en achterkleinkind, je achterachterachterkleinkind en overoveroverovergrootmoeder, je tante, buurvrouw, tandarts, tandartsassistente, geëmancipeerde juridische stagiaire, je sexuologe en gedragstherapeut.
Ze is ook je maatje: sla haar af en toe en sla daarna een kameraadschappelijke arm om haar schouders. Laat haar delen in je onzekerheden, twijfels en diepste verlangens. Drink een biertje op haar gezondheid.
Nee: sla haar één keer en daarna nooit meer.
Beloof beterschap, steeds beterschap.
Praat ook eens over voetbal.
Je mag haar van tijd tot tijd best eens wat harder aanpakken; wees nooit te bruut, te snel, te ruw, te koud, te heet of te lauw.
Beloof tot het einde dat het voor eeuwig duurt.
Blijf alert. Verslap niet. Streef naar het hoogste.
Vernietig elk cliché en verscheur van tijd tot tijd haar foto.

tantalus

Hij formuleerde wat hij gedurende een bepaalde tijd had gedaan.
Ze hing aan zijn lippen.
Er was dit en dat, op een dusdanige manier gebeurd.
Ze knikte enthousiast.
Uiteindelijk kwam het verhaal ten einde.
Ze glimlachte overdonderd

n*8

De stad lag onder een deken van kou en in die kou bewogen de mensen zich voort.
Het leven, dat zich alweer bewust leek van oude tijden die naar nieuwe overgingen, zoals een kleermaakster een oude lap aan een nieuw stuk stof naait, krioelde voort.
Voort, voort, dacht hij. Je moest eens wat vaker om je heen kijken.
Dacht hij, want hij liep over straat en gewone woorden werden profetisch. Er liepen ook andere mensen over straat, ademend in hun winterjassen en het was alsof ze zeiden: ‘Ja, we weten ook niet precies in welke tijd we leven, maar het geeft niet, we besteden ons leven, ons hele leven om er iets van te weten te komen, we draaien rond en rond, maar de tijd holt ons vooruit en het wordt tijd dat we een nieuwe jas aantrekken, we krijgen het koud, zo zonder voering van polyester (95 % polyester, keep away from fire).’
Zo schudden op straat de mensen de winter van hun schouders, als honden in de sneeuw.
En maar giechullun.
De kou duurde langer dan vandaag en de mensen die de lente aankondigden werden weggehoond. Was het geen laf, stompzinnig verlangen om midden in de winter naar de lente te verlangen?
De stad lag onder een deken van kou en in die kou bewogen de mensen zich voort.

You’ve got to get in to get out

Op een zondag in het midden van de herfst, toen de bladeren aan de bomen geel kleurden en de mensen gebogen tegen de wind door de stad fietsten, met achterop geduldige kinderen in gele regencapes met gele kaplaarzen aan, dacht ik: enzovoort enzovoort -
en ik verliet mijn huis voor een avondwandeling.
Ik liep tot de rivier en keek uit over het water. De lichten van de brug schenen over het zwarte water en je zag niets behalve de weerschijn weerspiegeld en daar weer de weerspiegeling van. Het waaide hard. Verderop ronkten de auto’s en rinkelden de trams.
De stad leek op wat ze vroeger geweest was. Of geweest moest zijn.
Net toen ik naar huis wilde gaan, kwam er iemand op me af in een paarse mantel. Ze hief haar hoofd. Ze leek verbijsterd. Toen ze me zag, glimlachte ze. Het was Sisypha, die ik al zo lang niet meer had gezien.
“Jij hier?” vroeg ze, alsof ze iedereen behalve mij verwachtte.
Ik groette haar en was oprecht dankbaar dat ze me herkend had (ik ben een egoïst, maar wel een oprechte).
“Het is de grote herfstontmoetingsavond,” zei Sisypha. “Weet je wie ik eerder op de avond tegenkwam? Salim. Hij liep zomaar op straat.”
Ik toonde verbazing en legde haar uit dat ik voornamelijk hier was, in deze stad, maar niet veel meer buiten kwam.
“Nou,” zei Sisypha, “ik wel hoor. Ik ren me rot.”
“Wat doe je?”
“Ik heb nauwelijks tijd om iets te doen, zo druk ben ik.”
Ze vertelde me dat ze Salim tien minuten eerder in een café had achtergelaten, Salim die vroeger haar vriend (“een vriend,” zei Sisypha) was geweest en van wie ze de laatste tijd vaak (“nou ja, vaak: regelmatig“) droomde.
“Ik dacht: als ik zoveel van hem droom, moet ik hem maar weer eens opbellen.”
“O ja?” – had ze zijn telefoonnummer soms gedroomd?
“Luister,” snibde Sisypha, “laatst kwam ik hem tegen op een feestje, want mijn dromen zijn feestjes, weet je, en hij riep: ‘Gelukkig Nieuwjaar! Wat zul je je later nog herinneren van dit feest? Als je terugkeert naar de plek waar je zolang gevangen zat?!’ Een leuke vraag, vind je niet, voor in een droom?”
Ik haalde diep adem. “Wat heb je geantwoord?”
“Ik antwoordde – want behalve hij en ik was er verder niemand: ‘Jouw gezicht, natuurlijk, enne, het geluid van krakend hout en de schreeuw in de badkamer….’ Want we waren in een badkamer en de badkamer was in vuur en vlam, ja, ja… in dromen kan dat.”
Ze keek me triomfantelijk aan.
“Maar Salim,” vervolgde Sisypha, “begon te gillen en te brullen alsof ik de hoofdprijs had gewonnen. ‘Wraaaaaa, ja damusseheren, dit is amusement! Onze hoofdkandidate keert terug naar de plek waar ze zolang gevangen zat en er zijn dingen die ze toen niet heeft gezien. De meisjes met kaplaarzen lieten hun benen bungelen over de rand van het bed. Iemand heeft de Dreigroschenoper opgezet en daarna, toen de cd-speler het begaf, de boel aan stukken geslagen.’”
“Dróómde je dat?” vroeg ik, niet zonder verbazing.
“Zeker, zeker. O god, ik wist niet hoe ik het had maar ik was blij, begrijp je…”
Sisypha legde een elegant gehandschoende hand op mijn schouder.
“Blij! In mijn droom was ik blij; buiten mijn droom was ik nieuwsgierig, misschien, of ongerust of ongeduldig, maar… ben je ooit blij als je slaapt? In mijn droom was ik blij. En dat ben ik nog steeds, overigens, ik ben heel blij omdatteh….”
“Ik herinner me,” onderbrak ik haar: “‘Niets ontsnapt uit je herinneringen’ – dat zijn dingen die je zo zegt, in dromen.”
“Ja. Dromen zijn wáár, weet je.”
We keken elkaar even aan – en we lachten. Gek hoor.
“Maar… Maar toch,” aarzelde Sisypha, “maar toch was het niet zoals ik het je nu vertel. Want Salim zei: ‘Je lacht wel – maar eigenlijk schrik je je rot. De flessen champagne van honderd gulden, noem ik even, die je in het water hebt geflikkerd en de cake die op is, de fakkels langs de waterkant die niet willen branden. De knecht stookt de kachel roodgloeiend en jij zit op de wc. Gebrek aan respect, noem ik dat. Zo, en nu jij weer.’ – Ik wilde er niet aan denken: de knecht die ergens naast de kachel voor zich uit zat te staren, dus ik ging er loodrecht op in: ‘Maar toch, maar toch? Toch dwaal ik door de ruimte. Het plafond is laag en de mensen zijn schimmen.’ Ik knielde neer bij een tafel en vond een spijker om in de muur te slaan. Dat was het. Een spijker om in de muur te slaan: dat was mijn droom.”
Sisypha nam afscheid, ze sloeg haar paarse mantel dichter om zich heen en vervolgde haar weg.
Ik voelde de behoefte om nog even de brug op te gaan, naar het hoogste punt om daar uit te kijken over de stad die nu heel anders was, die natuurlijk nooit zo kon zijn zoals ze vroeger was, ook al schenen de lichtjes nog zo mooi over het water.

piece de resistance

Er is stilte in huis en geroezemoes op straat.
Het is zo koud dat je niet kunt vergeten hoe koud het is.
Het heeft geen zin je de warmte van vroeger te herinneren.
Je doet geen trui aan, je stookt de kachel niet op.
Je wilt tenminste één proef ondergaan, op deze laatste dag van de winter, die verder proeveloos was.
(-Zal ik voor het eten betalen? Steek ik over voordat het groen wordt? Blijf ik zitten als mijn vrienden om zich heen kijken en mompelen dat het nu toch echt te laat wordt, dat ze toch echt moeten gaan, omdat er nog veel te doen is, de baby en de boodschappen, het werk en de baby en de boodschappen?)
In de stilte tussen twee beslissingen knijp je ertussenuit. Je voelt je in jezelf teruggelegd als een mozaïekstuk, een opgevouwen papier, een pluk haar in een vlecht, schoon en af en solidair.

twee sterke verhalen

paf
Ze gaf me een kluwen wol en ze zei: ‘Ontrafel dit.’
Maar ik had er geen zin  meer in. Ik zei: ‘De tijd van Repelsteeltje is wel voorbij.’
Ik begroef mijn gezicht in haar kluwen, daarna mijn handen en tenslotte mijn hele lichaam in het verhaal dat ze me had aangereikt, haar verhaal, maar het bleef onverteld.
En ik liet haar achter, unwashed and somewhat slightly dazed (verwilderd en verward, zeg maar dat ze paf stond).

gotta get out to get in
Ik ging dood. Ik verdween in het duister en het duister was, naar verwachting, diep, héél héééél erg diep, zo diep als het universum, nog dieper, maar het was niet zo groot als een punt – niets liever dan een punt, denk je dan, als je daar bent; maar het was ook niet zo klein als een omgeving, eerder een omgeving zonder grenzen – waar het wel heel erg ingewikkeld toeven was.

Ik toefde er een tijdje in rond en op een gegeven moment besloot ik mijn ogen, die bij nader inzien al die tijd gesloten waren – al die tijd ja – te openen.
Dit was het dan, dacht ik, maar iets riep me en ik worstelde boven.
“Welkom,” zeiden twee ogen en een bewegingloze mond zei: “Je bent erdoorheen.”
Ja en het klinkt absurd, hè, maar ik kwam weer gewoon terug als mezelf.