Categorie archief: Uncategorized

het harde rijk

DE OORBELLEN
Geen schaduw van vluchten koestert het roet
van de spiegel. (En van de jouwe geen sjoege).
Erlangs ging de spons die van de gouden
cirkel de weerloze spranken verjoeg.
Je stenen, koralen, het harde rijk
dat jou verrukt zocht ik daar, ik ontwijk
de godin die geen wezen wordt, breng mijn
verlangens tot ze in jouw hel licht verkwijnen.
Ronkende vleugels buiten, ronkend malle
doodsheid weten twee levens zonder waarde.
In de omlijsting keren de weke kwallen
van de avond. Je afdruk komt van daar, waar het
koraal door ontdane, ellendige handen
vast en stil aan jouw lellen wordt gehangen.

Vertaling van:

GLI ORECCHINI
Non serba ombra di voli il nerofumo
della spera. (E del tuo non è più traccia).
‘E passata la spugna che i barlumi
indifesi dal cerchio d’oro scaccia.
Le tue pietre, i coralli, il forte imperio
che ti rapisce vi cercavo; fuggo
l’iddia che non s’incarna, i desideri
porto fin che al tuo lampo non si struggono.
Ronzano èlitre fuori, ronza il folle
mortorio e sa che due vite non contano.
Nella cornice tornano le molli
meduse della sera. La tua impronta
verrà di giù: dove ai tuoi lobi squallide
mani, travolte, fermano i coralli.

Eugenio Montale

de eeuwigheid van het moment

LA BUFERA (Montale)

Les princes n’ont point d’yeux pour voir ces grand’s merveilles,
Leurs mains ne servent plus qu’à nous persécuter…
(Agrippa d’Aubigné, A Dieu)

La bufera che sgronda sulle foglie
dure della magnolia i lunghi tuoni
marzolini e la grandine,

(i suoni di cristallo nel tuo nido
notturno ti sorrendono, dell’oro
che s’è spento sui mogani, sul taglio
dei libri rilegati, brucia ancora
una grana di zucchero nel guscio
delle tue palpebre)

il lampo che candisce
alberi e muri e li sorprende in quella
eternità d’istante – marmo manna
e distruzione – ch’entro te scolpita
porti per tua condanna e che ti lega
più che l’amore a me, strana sorella, -

e poi lo schianto rude, i sistri, il fremere
dei tamburelli sulla fossa fuia,
lo scalpicciare del fandango, e sopra
qualche gesto che annaspa….
Come quando
ti rivolgesti e con la mano, sgombra
la fronte dalla nube dei capelli,
mi salutasti – per entrar nel buio.

(De storm die op de harde bladeren van / de magnolia zijn lange maartse / slagen en zijn hagel druipt, // (het kristallen geluid verrast je in je nachtelijke / nest, van het goud dat is uitgegaan / op het mahoniehout, op de snede / van de ingebonden boeken, brandt nog / een korreltje suiker in de schulp / van je oogleden) // de flits die de muren / en de bomen in het wit zet en ze verrast in die / eeuwigheid van moment – marmer manna / en verwoesting – die je in jou gegrift / meedraagt tot je straf, en die je bindt / aan mij meer nog dan liefde, vreemde zus, – // en dan de ruwe klap, de sistra, het gesidder / van de tamboerijnen op de dievenkloof, / het gestamp van de fandango, en daarboven / een stokkend gebaar…. Zoals wanneer /

Wat dan?

Tegen de jaren dertig en veertig poneren we, bluntly, de jaren zestig en zeventig.

Zo zijn de rekeningen vereffend.

Is het tijd voor stilte in de eenentwintigste eeuw?

Montale zucht, Lucebert klaroent, ik denk suddenly dat ik niets meer heb om te leren, maar meteen schiet de maatschappelijke verantwoordelijkheid in mijn kamer op tot de allergrootste dingen, een cement jungle – en ik ben zo klein en compact als de shuttle van licht in het niets van de nacht – oude metaforen, nieuwe woorden: neem je kinderen mee op een dagje ecologisch boeren, geniet van het leven, met mate, met mate. Eet en word verantwoord geconsumeerd.

- Ik word zo moe van die dichters die tegen heug en meug… tegen de klippen op…. blijven verkondigen, verdisconteren dat het leven goed is, ondanks alles. En dan nog een goed geformuleerde verontschuldiging inbouwen voor ‘alles’…

-Ja, daar worden ze zelf ook erg moe van.

-Toe, eet, drink eens wat?

Ik zou wel willen escaperen, zegt de geleerde.

In boeddhisme of gezond verstand?

Dit feestje moet genoeg zijn.

Of keer terug naar de natuur: duimen, nagels, vingers die over het toetsenbord aaien en straks buik en borsten markeren.

To be a rock and not to roll

Er was een zenuwachtige drukte in de heg. Ik schrok op en ging kijken. Voorzichtig, voorzichtig. Vogels vliegen af en aan tussen de bladeren met takjes in hun bek, montere schoonmaaksters van de lente.
Ik stond aarzelend bij de heg, onzeker welke weg te gaan. Zijn er altijd maar twee?
De ene weg, had ik begrepen, was geplaveid met goede voornemens. Stoppen met roken, minder drinken (dan wie bijvoorbeeld? Ghandi, Van Gogh, André Hazes?), meer bewegen, vroeger naar bed en gezonder weer op. Als je tenminste nog opstaat.
Minder eten, beter gezelschap zijn voor familieleden, geen boeken meer lenen en vergeten terug te geven.
Geen boeken meer lenen en vergeten terug te vragen.
‘s Avonds je huid verzorgen met rozencrème. ‘s Ochtends je huid verzorgen met rozencrème. Op reis gaan.
Waarheen?
Vooral geen voornemens meer maken, niets meer wensen, niets meer vragen, van moment tot moment leven, elke vraag met een glimlach beantwoorden en niet meer gapen, nooit meer gapen, naar de wereld kijken zoals je naar de wolken kijkt (naar de wolken?! In ‘s hemelsnaam!)
Mensen bewonderen, mensen bewonderen om hun doorzettingsvermogen, hun moed en onafhankelijkheid. Nooit meer gapen. Gaap.
En die vogels dan? Ja, die ook. Bewonderen, al vliegen ze allemaal een andere kant uit, leeghoofden, slamppampers, voetlozen, veerbeesten.
Rijk worden (met een vogel op de arm), werk is karma, mensen zijn bloemen, bezit is illusie, verstandig zijn, de liefde en alles, alles heel goed, als een koopman afwegen op de schaal van je hart.
Het binnenste buiten keren en het buitenste binnen laten. Liefde geven, niets dan liefde. Onbaatzuchtige, heilzame, gezonde liefde.
Van de andere weg daarentegen wist ik niets.
Ik was te nieuwsgierig. Zijn er altijd maar twee wegen te gaan?
Ik wist niet eens hoeveel wegen er waren.
In de heg was het stil, de lente liet nog op zich wachten, de wolken schoven af en aan.

quasi giorno, quasi casa

GENERAAL

(Generale - Francesco De Gregori)

Generaal achter de heuvel
ligt de moorddadige moffennacht,
en midden op het grasveld loopt een boerin,
gebogen tegen de zonsondergang lijkt ze net kind
van vijftig en met vijf zonen,
op de wereld gekomen als konijnen,
de wereld ingegaan als soldaten
en nog niet teruggekeerd.

Generaal achter het station
zie je die trein, die naar de zon ging,
hij stopt niet meer, zelfs niet om te pissen,
we gaan rechtstreeks naar huis zonder nog te bedenken
dat de oorlog mooi is ook al doet hij pijn,
dat we nog wel eens zullen zingen
en ons de liefde, de liefde laten bedrijven door de verpleegsters.

Generaal, de oorlog is voorbij,
de vijand is gevlucht, overwonnen, verslagen,
achter de heuvel is niemand meer,
alleen nog dennennaalden en stilte en paddestoelen
goed om te eten, goed om te drogen,
om er saus van te koken met kerstmis,
als de kinderen huilen
en niet naar bed willen.

Generaal, deze vijf sterren,
deze vijf tranen op mijn huid
wat voor zin hebben ze in het lawaai van deze trein,
die half vol is en half leeg
en nu snel richting terugkeer gaat,
over twee minuten is het bijna dag,
bijna thuis, bijna liefde.

oltre al buio che c’è

DE KOFFER VAN DE ACTEUR

(La valigia dell’attore – Francesco De Gregori)

Hier ben ik
gekomen om te kijken
wat voor raar effect het heeft:
mijn gezicht in jullie ogen
en hoeveel mensen er zijn
en of het vanavond nog wat oplevert
deze stem die tot aan de achterste rij
zou moeten reiken
verder dan waar het donker is
en het langzaam stiller wordt;
en het licht dat plotseling
mijn gezicht snijdt – hier ben ik
we zijn de minnaar en de bruid
hiernaartoe gekomen
de acteur en het zangeresje
overal toe bereid
als we maar mogen blijven
we zijn de vader en de dochter
eindelijk hier
we zijn één grote familie
we hebben alleen even
onze koffer dáár gelaten
in de al oude kleedkamer
tussen een wastafel en een emmer
tussen een affiche en de spiegel

Hier zijn we
voor weinig gekomen
want voor weinig ga je weer
en het doek is al gevallen
over dit leven dat zo schoon niet is
en het herinnert aan de kleur van zekere lakens
van zekere hotels
waar ze onze naam al weten
en ons niet eens meer vragen
naar ons identiteitsbewijs
- en hier zijn we dus, we zijn hier
naartoe gekomen voor niets
want voor niets ga je weer
en we buigen herhaaldelijk
en we bedanken eeuwig…

Hier zijn we
we zijn de vader en de dochter
hier terechtgekomen
als een grote familie
we hebben alleen even
ons leven dáár gelaten
in de kleedkamer die al oud is
tussen een wastafel en een emmer
tussen een affiche en de spiegel
tussen een affiche en de spiegel

un futuro invadente

RIMMEL

(Rimmel – Francesco De Gregori)
En iets blijft er over
tussen de lichte pagina’s en de donkere pagina’s
en ik wis je naam van mijn zijde
en ik verwar mijn alibi’s met jouw gelijk,
mijn alibi’s met jouw gelijk.

Wie me de kaart heeft gelegd
noemde me een winnaar
maar een zigeuner is een foefje.
En een opdringerige toekomst had ik,
als ik wat jonger was geweest,
vernietigd met mijn verbeeldingskracht,
verscheurd met mijn verbeeldingskracht.

Nu kun je je lippen naar een ander adres sturen
en mijn gezicht over dat van
wie weet welke ander leggen.
Je vier azen, van één kleur, pas op,
kun je verstoppen of verspelen zoals je wil
of goede vrienden laten blijven, zoals wij.

Heilige lust om te leven en zoete Vénus van Rimmel.
Zoals toen het buiten regende en jij vroeg
of ik toevallig nog die foto had
waarop jij lachte en wegkeek.
En de wind waaide door je bontkraag
en door je lichaam en toen ik ja zei,
zonder te begrijpen,
zei jij: “Het is alles wat je nog van me hebt.”
Het is alles wat ik nog van je heb.

in jericho

“Goed,” zei ze. Ze schonk thee in waar ik niet om had gevraagd.
“Goed,” zei ze weer. Ze liet zich op de matras vallen, die bij wijze van zelfgeknutselde sofa op de vloer lag. Ze glimlachte. “Weg met Romeo en Julia. Ik heb helemaal geen zin meer in Romeo en Julia. Al die cultuur.”
Ik knikte.
“Nou,” zei ze. Ze keek naar de thee, “we moeten precies zeggen wat we vinden, wat we voelen.”
Of ze soms dacht dat ik niet precies zei wat ik vond, wat ik dacht?
“Nee, nee. Of…. Misschien…. Weet ik veel.” Ze lachte. “Je hoeft jezelf niet te verdedigen.”
“Ik verdedig me niet.”
Ze trok een deken over zich heen, tot vlak onder haar neus. Ze keek me aan. Ik had het gevoel, nee, de ingeving, dat ze me uitlachte.
“Ik lach je niet uit.”
Ik lag onderuitgezakt op de bank tegenover haar. Ik legde mijn ene been over het andere.
Ze volgde mijn bewegingen terloops, haar blik bleef haken (bungelen) aan mijn nieuwe Italiaanse schoenen.
“Mooie schoenen,” knikte ze.
“Ik ben gek op schoenen.”
“Weet ik.”
“Ik heb veertig paar,” verduidelijkte ik.
“Weet ik.”
Ze keek me aan. Opnieuw beginnen? Ik haalde mijn schouders op.
“Ik ben helemaal niet zoals jij,” begon ze, “maar toch wou ik… ik wou… dat ik net zulke mooie schoenen had als jij.”
“Jij hebt ook mooie schoenen. Wat maakt het uit? Je bent mooi, hier.” Ik tikte op mijn voorhoofd.
Ze begon te lachen.
“Wat, geloof je me niet?”
“Helemaal niet,” lachte ze, “ik geloof je helemaal niet.”
“Dan niet.”
Het bleef weer stil. Niet voor lang.
“Geloof je dat ik niet eerlijk tegen je ben?”
“Waarom zou ik dat geloven?”
“Zomaar.”
Ze stak een kopje thee uitnodigend naar me uit. Ik weerde af.
“Soms weet ik niet wat ik moet zeggen. Dan zeg ik maar wat,” glimlachte ze.
Ze drong aan met haar thee, waar ik echt geen zin in had.
“Echt niet?”
“Nee.”
Ze zette de kop thee voor mijn voeten en klemde de andere in haar handen, alsof ze om een kampvuur zat. “Ik heb het koud,” zei ze.
“Zal ik je verwarmen?”
Glimlachend, zonder antwoord te geven, begon ze een verhaal over een kachel, die het niet deed omdat ze hem te lange tijd niet had aangestoken, omdat het te duur was om een kachel aan te steken in dit huis, in deze tijd.
“Ik begrijp je niet,” zei ik.
“Het is niet goed geïsoleerd, hier.”
Ik knikte.
“Tja,” zei ze.
“Tja.”

Na een tijdje stond ze op. “Nu ga ik naar bed.”
“Zal ik met je meegaan?”
Ze bleef staan, draaide haar gezicht naar me toe en zei mijn naam.
“Wat?”
Of ik soms boos was.
“Nee. Hoezo?”
Ze liep naar me toe en stak haar hand uit. Ik pakte haar hand, ze trok eraan en tegelijkertijd stond ik op. Ik drukte me tegen haar aan en legde mijn armen om haar heen, mijn handen op haar billen. Ze deed een pas achteruit.
Zo bewogen we als één lichaam, het anti-Romeo-anti-Julia-lichaam, als een log vierbenig onding naar de deur van haar kamer.
Het ene deel van ons dat zij was, greep de handen van het andere deel, dat wil zeggen mijn handen, en duwde ze weg, zodat we weer twee lichamen werden. “Nu moet je weg.”
Niets daarvan! Mijn handen deden een wilde greep in haar trui. Ze draaide zich van me af en opende de deur.
“Wegwezen,” mompelde ze.
“Wegwezen,” herhaalde ik op dezelfde toon.
“Ben je soms boos?”
“Nee.” Waarom vroeg ze dat toch steeds?
“Verdrietig dan.”
“Ook niet.”
Ze leek tevreden. “Zijn we dan vrienden?”
“Altijd, toch?”
Ze deed de deur nog wat verder open en ik liep de gang op. We wensten elkaar vanalles toe, in de trant van: tot ziens, het ga je goed.

Ik daalde de eerste treden van de trap af. Nog draaide ik me om en daar stond zij, zwaaiend met haar handje.
Toen het eenmaal zo ver was nam ik ook de onderste treden, gehaast want ik moest de laatste tram nog halen, terwijl ik hoorde hoe ze boven me de deur in het slot draaide.