“Goed,” zei ze. Ze schonk thee in waar ik niet om had gevraagd.
“Goed,” zei ze weer. Ze liet zich op de matras vallen, die bij wijze van zelfgeknutselde sofa op de vloer lag. Ze glimlachte. “Weg met Romeo en Julia. Ik heb helemaal geen zin meer in Romeo en Julia. Al die cultuur.”
Ik knikte.
“Nou,” zei ze. Ze keek naar de thee, “we moeten precies zeggen wat we vinden, wat we voelen.”
Of ze soms dacht dat ik niet precies zei wat ik vond, wat ik dacht?
“Nee, nee. Of…. Misschien…. Weet ik veel.” Ze lachte. “Je hoeft jezelf niet te verdedigen.”
“Ik verdedig me niet.”
Ze trok een deken over zich heen, tot vlak onder haar neus. Ze keek me aan. Ik had het gevoel, nee, de ingeving, dat ze me uitlachte.
“Ik lach je niet uit.”
Ik lag onderuitgezakt op de bank tegenover haar. Ik legde mijn ene been over het andere.
Ze volgde mijn bewegingen terloops, haar blik bleef haken (bungelen) aan mijn nieuwe Italiaanse schoenen.
“Mooie schoenen,” knikte ze.
“Ik ben gek op schoenen.”
“Weet ik.”
“Ik heb veertig paar,” verduidelijkte ik.
“Weet ik.”
Ze keek me aan. Opnieuw beginnen? Ik haalde mijn schouders op.
“Ik ben helemaal niet zoals jij,” begon ze, “maar toch wou ik… ik wou… dat ik net zulke mooie schoenen had als jij.”
“Jij hebt ook mooie schoenen. Wat maakt het uit? Je bent mooi, hier.” Ik tikte op mijn voorhoofd.
Ze begon te lachen.
“Wat, geloof je me niet?”
“Helemaal niet,” lachte ze, “ik geloof je helemaal niet.”
“Dan niet.”
Het bleef weer stil. Niet voor lang.
“Geloof je dat ik niet eerlijk tegen je ben?”
“Waarom zou ik dat geloven?”
“Zomaar.”
Ze stak een kopje thee uitnodigend naar me uit. Ik weerde af.
“Soms weet ik niet wat ik moet zeggen. Dan zeg ik maar wat,” glimlachte ze.
Ze drong aan met haar thee, waar ik echt geen zin in had.
“Echt niet?”
“Nee.”
Ze zette de kop thee voor mijn voeten en klemde de andere in haar handen, alsof ze om een kampvuur zat. “Ik heb het koud,” zei ze.
“Zal ik je verwarmen?”
Glimlachend, zonder antwoord te geven, begon ze een verhaal over een kachel, die het niet deed omdat ze hem te lange tijd niet had aangestoken, omdat het te duur was om een kachel aan te steken in dit huis, in deze tijd.
“Ik begrijp je niet,” zei ik.
“Het is niet goed geïsoleerd, hier.”
Ik knikte.
“Tja,” zei ze.
“Tja.”
Na een tijdje stond ze op. “Nu ga ik naar bed.”
“Zal ik met je meegaan?”
Ze bleef staan, draaide haar gezicht naar me toe en zei mijn naam.
“Wat?”
Of ik soms boos was.
“Nee. Hoezo?”
Ze liep naar me toe en stak haar hand uit. Ik pakte haar hand, ze trok eraan en tegelijkertijd stond ik op. Ik drukte me tegen haar aan en legde mijn armen om haar heen, mijn handen op haar billen. Ze deed een pas achteruit.
Zo bewogen we als één lichaam, het anti-Romeo-anti-Julia-lichaam, als een log vierbenig onding naar de deur van haar kamer.
Het ene deel van ons dat zij was, greep de handen van het andere deel, dat wil zeggen mijn handen, en duwde ze weg, zodat we weer twee lichamen werden. “Nu moet je weg.”
Niets daarvan! Mijn handen deden een wilde greep in haar trui. Ze draaide zich van me af en opende de deur.
“Wegwezen,” mompelde ze.
“Wegwezen,” herhaalde ik op dezelfde toon.
“Ben je soms boos?”
“Nee.” Waarom vroeg ze dat toch steeds?
“Verdrietig dan.”
“Ook niet.”
Ze leek tevreden. “Zijn we dan vrienden?”
“Altijd, toch?”
Ze deed de deur nog wat verder open en ik liep de gang op. We wensten elkaar vanalles toe, in de trant van: tot ziens, het ga je goed.
Ik daalde de eerste treden van de trap af. Nog draaide ik me om en daar stond zij, zwaaiend met haar handje.
Toen het eenmaal zo ver was nam ik ook de onderste treden, gehaast want ik moest de laatste tram nog halen, terwijl ik hoorde hoe ze boven me de deur in het slot draaide.