Categorie archief: voorheen vaag gekriebel van de kriegelfee

plan

Zeven muren liggen er om Thebe

en ik zal ze allemaal nemen,

één voor één. De buitenste muur is niet eens

verdedigd, de grote poorten laten lieden toe

uit alle windstreken en reizigers van elk allooi,

branieschoppers, toneelspeelsters, gozers in broeken,

boeren met manden op hun rug, wijnkopers, dagloners,

de bronzen deuren staan wagenwijd open, dag

en nacht. Daarbinnen krioelt het van de eethuisjes,

tenten met openhangende gordijnen, manke honden hinken

tussen de ezels en het afval, op de hoeken

van smalle stegen branden vuren waar mannen zich

hurkend aan warmen. Vrouwen zitten met kinderen

op schoot te luisteren naar zangers, rillend in hun mantels,

in groepjes gaan feestgangers, of ze drinken staand

twee glazen bier voor ze verder gaan,

de stad in, door de tweede muur.

De tweede muur is een echte wal, die omhoog gaat

langs de brede weg die ‘Uitval’ heet:

omhoog de smalle paadjes door het struikgewas op

langs donkere huisjes, schots en scheef tot boven,

waar sleepkarren en hondenwagens,

paarden en warrels door wielen aangedreven,

een hels kabaal maken over ongelijke keien.

Hoog verheffen zich de huizen achter hun gevels

langs die weg. Je ziet geen deuren maar ramen,

meters hoog boven dikbebladerde bomen naar beneden staren,

bomen die zich met wortels

in het plaveisel hebben ingegraven.

Slechts hier en daar is een doorgang, een nauwe

gang naar binnen,

overdekt en donker. Links en rechts zijn kleine deurtjes

waaruit soms licht schijnt en soms een gezicht

tevoorschijn komt. Je kan naar binnen

gaan en in de kamers een feest bijwonen,

een plechtigheid of gewoon wat zitten

met de bewoners. Niemand zegt een woord.

Achter die huizen rijst een dikke,

van ouderdom egaal gekleurde muur, bruinig grijs,

helemaal rond de stad. Het lijkt een kerkmuur,

een paleismuur. Maar je ontdekt er geen ramen,

geen poorten, geen gangen, geen deuren,

je loopt ingeklemd tussen de huizen en die

kloosterachtige muur, die maar voortkruipt

en je het zicht op de hemel ontneemt

en je doet terugverlangen naar binnen, in de huizen,

of buiten op de wal, maar niet hier, in de schaduw

van die reusachtige keien, door honderden geduldige,

verweerde, dode handen op elkaar gestapeld.

Toch, als je goed kijkt, zie je dat er

wel degelijk een soort einde aan komt, er valt licht

naar beneden en nu zie je ook een paar uitstulpingen

en gaten en mos tussen de stenen en afgebrokkelde hoeken,

je denkt: het is gewoon een muur.

Voor je het weet zie je een trap. Je beklimt de trap

schrijlings.

Het spektakel daarboven is te mooi om te beschrijven:

een fantastische, uitgestrekte stad, met grachten en pleinen

en paleizen en hoge torens en parken en viaducten en fonteinen

en mensen overal, de zon gaat onder.

Achter de hoogste toren, die van een hoog paleis

op een kleine heuvel. Je daalt de muur weer af,

waren er dan toch deuren? Want links en rechts zie je mensen

verschijnen en verdwijnen, op de maat van een

geheimzinnig ritme dat je niet hoort maar

in je aderen voelt kloppen, en je voeten

lopen gelijk op, je komt langs de winkels die net hun deuren sluiten,

bakkers en boekhandelaren en slagerijen, kraampjes met snoep

onder de eiken, kleine terrassen waar mensen het glas heffen

op de toekomst, je ziet statige heren en dames met gevolg

in een koets en anderen te voet. De huizen zijn prachtig

versierd met beeldhouwwerken en lijsten en gesneden hout,

in sommige straten zijn de huizen zwart en oud,

op brede lanen blinken ramen en bedienden lopen af en aan

met manden op hun hoofd en aan hun heup, kleine jongens

trekken aan de teugels van de paarden.

Zeven muren heeft de stad Thebe

en ik zal ze allemaal nemen,

één voor één.

Ik ga naar het paleis. De burcht op de top van de heuvel

is van dichtbij

steeds verder weg. Maar ik ga verder en door de menigte heen

dring ik op en steek lanen over en ik kom

bij een park verschanst door een ijzeren hek

maar het hek is open en ik loop

tussen de wandelaars. De weg gaat weer omhoog.

Er zijn nog wat mensen, een karretje

van een broodverkoper, een meisje

met een paraplu en dan ben ik alleen.

Achter een dikke haag van bomen schemeren

de witte buitenposten van een lang vergeten domein,

waar ik langs kan lopen, tot ik aan de voet van een

laag ravijntje een deurtje zie, heel klein en gemaakt

van oud ijzer. Daarachter

is de

cronista

Hij is zichzelf niet. Hij kijkt op, fronst alsof hij iets verontrustend ziet. Zijn blik glijdt af naar een punt op het toetsenbord. Esc, F1, F2, maar hij leest niet, hij staart zonder iets te lezen. Het fronzen stopt, zijn blik wordt weer scherp en hij keert terug naar de laatste alinea op het scherm. Die luidt:

“Deze geschiedenis zou niet zo zijn geweest, als in het gezelschap van de koning niet ook een chronista was meegereisd, die optekende wat anders voorgoed in het duister van de vergetelheid zou zijn verzonken.”

En wat dan nog? Hij schuift zijn stoel achteruit, leest de zin nog eens, alsof een paar centimeter de betekenis ervan zouden kunnen verduidelijken. Daarna staat hij op om in de keuken een glas melk te drinken.

Voordat hij in de keuken is, zijn zijn gedachten al opnieuw niet meer bij zichzelf, maar ergens anders, een schetsmatig ingevulde plaats die langzaam, door herhaald knipperen van zijn ogen, meer reliëf krijgt.

Hij beseft dit pas als het glas melk leeg is, half gedachteloos (of juist half gedachtevol) gedronken. Merkwaardig. Een tijdelijke, zeer intensieve afwezigheid.

Dat komt er nou van, Mimmo

Kijk nu toch hoe hij daar zit, achter de tafel met bloemen, voor het open raam met de halfopen gordijnen, een kaars op tafel, boeken opengeslagen: zo’n gezellige man. Een glaasje port en een sigaar, een schoteltje met kruimels en wat radijsjes in een kom. God wat heeft die man het gezellig met zichzelf.

Er staat vast muziek op en hij heeft geen tv, wel een wasmachine die op de achtergrond rommelt. Er ligt een kat op bed, te wachten op zijn warme bolling tussen de lakens. Hij schrijft nog wat in de marges van een ochtendkrant, met de vulpen die hij van zijn moeder heeft gekregen. De klok tikt, het papier kraakt.

Zo’n gezellige man.

Als hij maar niet te veel drinkt! Als hij zijn tanden maar poetst voor het naar bed gaan! Als de kat maar genoeg te eten krijgt! Als hij maar geen nare boeken leest, vol onrust, bedrog, boosheid en leed…. Als hij maar niet te lang voor zich uitstaart en zich afvraagt waarom.

Bezit

1

In zijn dagboek schrijft hij dat hij op die-en-die dag, tegen het eind van de middag, gelukkkig was.

Nu is de zomer voorbij en hij herinnert zich nog wel de dag, dat die er was, maar hij weet niet meer hoe en wat.

Er waren ganzen, ja – en ze vlogen over. Er was water, een blauwe lucht, een schip achter de dijk.

Wat dan nog?

Het lukt hem niet, hij weet niet meer hoe gelukkig hij was. Alleen nog maar, dat hij het was.

Toch is hij tevreden over zichzelf, dat hij de tegenwoordigheid van geest heeft gehad om iets op te schrijven, wat dan? iets, om later bij stil te staan. Ja, dat is een ingeving geweest!

Goed, maar voor wie?

2

Hier hangt de geur van lelies en een moeilijk benoembaar iets – van een oud huis misschien, waarin meubels en gordijnen zich steeds anders met elkaar verhouden, om niet teveel herinneringen met zich mee te dragen – de witte vloer kraakt, het binnenkomen is niet zwaar.

Hier gooit men gemakkelijk zijn jas over een stoel en de ramen gaan piepend open, het geluid van een lichtzinnige stad dringt binnen. Hier zijn geen kindergeheimen. Dingen liggen soms urenlang te slingeren op een matras in de hoek, of ze verbergen zich achter de planten, tussen de grammofoonplaten met oude muziek, onvindbaar als de avond valt.

Het huis verwelkomt voornamelijk één, die niet weet waar ze het moet zoeken en zich daar niet al te druk om maakt. Het is nooit genoeg, maar er is tijd – toen ze er voor het eerst kwam, in dit huis, verfde ze een muur in de kleuren van een kroeg.

Het heeft zich – dat huis – voor haar gewonnen, door zich ruiterlijk aan anderen te geven, zo gul en soms onhandig, dat ze geen ander meer zou willen.

zwart

Het is moeilijk om niet meteen verliefd op hem te worden. Al bij de eerste aanblik van zijn gezwollen, trage gezicht – hoe moet je het anders noemen? Traag en gezwollen, alsof zijn zenuwen pas reageren na een paar seconden, waarin het kabaal van de wereld al aan hem voorbij is getrokken – een gezicht dat toch behoort aan een graag geziene gast, met zijn zwarte haren en duistere blik – al zit hij nu gewoon de krant te lezen – al bij die eerste aanblik dwingt hij tot wéér kijken, en nog eens.

Waarom zou je verliefd op hem worden? Hij is vast niet wat hij lijkt. Hij heeft moeilijkheden genoeg. Hij is verdwaald – waar? in zijn ego.

Oh, maar hij heeft zoiets aantrekkelijks! Zoiets tegenwoordigs-tegenspoedigs. Poëtisch, wel.

Is dat soms omdat hij de krant leest op zondagavond en zwarte kleren draagt? Laat je toch niet zo opfokken!

Ze zeggen dat hij al drie kinderen heeft, waarvoor hij slecht zorgt. Zeggen ze dat? Nou ja, dat kan niet anders.

Hij lijkt me heel onberekenbaar. Onbereikbaar en onberekenbaar.

Hij zit daar anders gewoon.

Zal ik naar hem toegaan?

En wat zeg je dan?

Oh, u even aan te raken! Mijn hand op uw gezicht te leggen, en een zachte weemoedige zucht te slaken.

Nee. Nee, nee, dat lijkt me geen goede frase, liefje.

Eugenio 2

Ah die dagen vol poëzie, achter de muren van een stad die pas later voor ons openging, en banaler was en harder dan gedacht.

Ik en mijn vrienden wisten dat het feest voorbij zou gaan, of welgeteld al voorbij was – en we lachten.

Jij was er, lieve vriendin, en jij, dorre vriend met je geheimen, en jij superarrogante, die dacht dat je mijn vijand was.

Er waren de groten en de kleinen die zich met elkaar verwarden en verzoenden, de ingenieurs en muzikanten die niet bij naam werden genoemd, er waren de weekendtrips naar de oneindigheid en weer terug, of gewoon naar zee, met op de autoradio steeds weer dezelfde Schnittke, Villa-Lobos of David B.

Er was oorlog en vrede, alles al achter de rug, terwijl wij ons slapend afvroegen hoe het toch was begonnen.

Daar heb ik geleerd tussen de regels door te lezen, want ik was te dronken voor de regels; om subtieler te zijn dan ik was; om de werkelijkheid te bespieden als ze uit het geliefde gezelschap ontsnapt.

En ik ben het niet vergeten.

(Ah die vage dagen en stardustnachten, zonder liefde in Lateranen.)

Konstantin Dmitritsj

Welke dingen zijn het belangrijkst in mijn leven, vroeg hij zich af. Het antwoord daarop was niet moeilijk te vinden. Geloof, hoop en liefde en van deze drie… Maar hij geloofde nergens in, en hoop was ook een vorm van geloof. Bleef alleen de liefde over. Heb ik lief? Die vraag was hem sinds jaren een kwelling. Iedere keer, dat hij dacht lief te hebben, bleek er toch wel een ander woord te zijn, dat de lading van zijn gevoel beter dekte. Bezitsdrang, angst voor eenzaamheid, verlangen, lust, gewenning, verplichting, bewondering, sympathie, belangstelling of gewoon: egoïsme.

Wat was, als liefde niet bestond, dan wel belangrijk in zijn leven? Geluk, gezondheid misschien? Met allebei was hij bij zijn geboorte gezegend en hij was altijd gezond en gelukkig geweest. Op een klein gebrek en een korte periode van ongeluk na, had hij zijn hele leven in welstand doorgebracht. Dat was geen prestatie; dat was toeval.

Is toeval dan het belangrijkste in mijn leven? riep hij vertwijfeld uit. Nee, dat kon toch niet zo zijn!

En waarom dan niet, Konstantin Dimitritsj?

Omdat toeval niet bestaat, antwoordde hij, toeval gaat niet samen met het diepe gevoel dat ik heb, als ik besef dat ik leef… en liefheb.

Er was dan maar één conclusie mogelijk: zijn leven, dat uit toeval bestond, maar niet toevallig mocht zijn, kón niet zijn – het was fictie.

Zei ik het niet, Leo?

De rozenvingerige Eoos glijdt met haar handen over de stad: bloemen gaan open, de dag begint, zonder gedonder.

Na een korte ochtend gaat het waaien: steeds harder en harder. Mensen en dieren worden onrustig. Bestuurders versnellen, fietsers buigen zich over hun stuur. Boomtakken zwaaien, bladeren vallen, vuil en vermolmde gedachtes wervelen door de lucht. De wind groeit tot storm en de storm brengt harde, slaande regen.

Ik haast me naar huis om ramen en deuren te sluiten, diep weggedoken in de kraag van mijn jas. Ik kijk naar mijn voeten, die over de grond bewegen, de grond die zo vast niet lijkt. Links en rechts waaien de dingen me tegen.

Vlak voor ik mijn straat inga, kijk ik op: aan de horizon, waar Eoos nog geen drie of vier uur geleden haar handafdruk plaatste, staat een reusachtige reus van leem. Het zonlicht weerkaatst in zijn ogen. Hij schatert; ik knipper: hij is weg.

Niemand is bang, iedereen wacht af.

Andere middelen

Soldaten, de laatste tijd overal soldaten: in films en in boeken, op tv, in gesprekken. Ik vraag me af waar ze vandaan komen en waarom ik ze overal zie. Ik bedenk dat het vreemd is, ik ken geen soldaten. Als ze marcheren in colonnes of op het perron van spoor 4 op de trein wachten om naar huis te gaan: ik ben misschien bang voor ze, maar ik ken ze niet. Heb ik geleerd om bang voor ze te zijn?

Het komt door Sisypha. Ik kom haar de laatste tijd vaker tegen, maar ze heeft het te druk om met me te praten. Waar heeft ze het zo druk mee? Vanalles, vanalles, fluistert ze geheimzinnig in mijn oor en gaat door.

Vergis ik me of is haar haar geknipt, glinsteren haar ogen van iets wat ik hiervoor nog niet van haar kende, heeft ze iets ontdekt?

De rustige, praatgrage Sisypha is veranderd. Wat is er met haar gebeurd?

Soldaten, overal soldaten, die van nu en die van vroeger: de groene jasjes en de bleke gezichten met de uitdrukkingloze blikken, de soldaten die het land gaan bevrijden, de soldaten die de loopgraven ingaan.

Altijd denk ik dat ze precies weten wat hen te wachten staat en steeds ben ik verbaasd als ze met hun geweer en rugzak en veldfles en hun onbegrijpelijke tekens op borst en schouders voorbijgaan.

Ik begin ze te leren kennen, ik weet nu bijvoorbeeld dat een kolonel hoger is dan een luitenant. Ik ken de soldatenliedjes en ik begrijp waarom soldaten zingen.

Sisypha snelt voorbij, “hallo, hallo,” groet ze. Ik zou haar willen vragen of zij iets met die soldaten te maken heeft, of ze soms zin heeft om te vechten, of er iets wakker is geworden in haar, een lust om te vechten, een oude lust, die van oude films, een oude heroiek. Zou ze de wapenen willen opnemen tegen een zee van problemen? Zou ze een ideaal hebben gevonden?

Ik wil haar zeggen dat het te laat is, dat de soldaten van toen niet meer op straat lopen, geen wapens dragen om in gevecht van man tot man het ene ideaal met het andere te bestrijden, dat er niets is om te beslechten – als ze wil vechten, zullen ze haar in geavanceerde machines stoppen en opdragen op kleine toetsen te drukken die kilometers verderop iets in werking zetten waar ze met recht van kan zeggen, dat ze niet weet wat het is en dat ze het nooit zal weten.

“Sisypha, wat ben je aan het doen?”

“Niets, niets, je komt het nog wel te weten, ik moet gaan, sorry, haast, haast…”

Als een wit konijn huppelt ze voorbij, in haar ogen is haast maar ook, het spijt me dat ik het zeg, een glinstering van kou, iets van een onomkeerbare beslissing, genomen op een dieptepunt, waar ik niets van weet.

Ik wil met haar praten en zeggen dat het zo niet gaat, dat het nog anders kan en anders moet. Ik vind de woorden niet, natuurlijk, en ook heb ik de tijd niet, als ze zo snel gaat, zo gehaast, en vooral weet ik niet welk recht ik heb, welke reden om haar van inzicht te doen veranderen –zijn het haar inzichten die me angst aanjagen? En welke dan?

Someday, maybe (who knows, baby)

Hij zong voor me, hij zong over mij.

Hij zei: kom dichterbij, sla je ogen op, je verdriet gaat voorbij.

Hij zei dat in de stad bloemen groeien die soms zoet zijn en soms… dood.

Ik sloeg mijn ogen op en hij schudde zijn hoofd.

Wat bedoel je daarmee? Nee, hij wist het wel, maar hij kon het niet uitleggen.

Mijn lippen zijn gebarsten en ik kan hem niet kussen, mijn armen om hem heen slaan zonder aan een ander te denken; maar hem kan het niet schelen wat die ander zei en dacht en deed, hij staat erboven, voor hem bestaan die anderen niet meer, ze zijn lucht.

Hij wil me en hij verloochent alles wat ik zeg.

Ik probeer toch iets te zeggen.

Ik probeer te zeggen wat ik heb geleerd, als ik iets heb geleerd: mijn gedachten dwalen af; ik wil naar het zuiden, naar Italië. Maar daar ging het mis, wat heb ik toch verkeerd gedaan?

Vroeger dacht ik dat we van de geschiedenis leren, altijd zouden leren tot ze ophoudt.

Alles gaat voorbij, iedereen vindt het wiel uit, dat probeer ik te zeggen, ik maak dezelfde fouten en ik ben niet beter dan anderen en anderen – ik denk aan hem – zijn niet beter dan ik.

Ik veeg met mijn mouw over mijn gezicht. Hij kijkt me aan alsof ik word gegrepen en bedrogen en voorgelogen door anderen, niet door hem: hij zegt dat ik tegen zulke krachten niet ben opgewassen en dat ik alleen maar probeer me aan te passen, zijn woorden zijn zo hard als slagen in mijn gezicht.

Hij fluistert in mijn oor, opeens zacht, bijna onverstaanbaar. Ik wil niet weten wat hij zegt. Tot hij zwijgt.

Ik wil hem, maar dan staat hij op en met een buiging – een mooie buiging – en met een paar mooie, laatste woorden verlaat hij mijn huis, mijn stad, mijn lijf.